Altijd anders maar altijd vrolijk; Musicus Van Dyke Parks op Crossing Border Festival

De platen van pianist, componist, tekstschrijver en arrangeur Van Dyke Parks vieren het onbekommerde plezier. Onder de pret loert, onuitgesproken, de melancholie. “Mijn teksten zijn geen weerspiegeling van mijn gemoedsleven, ze staan in dienst van de muziek.”

In de muziek van Van Dyke Parks is het altijd gezellig. Zet een van zijn platen op en de film begint automatisch te draaien: zachtjes schijnt de zon door de ramen, in de keuken snijdt moeder brood, de theeketel fluit zachtjes op het gasfornuis. Op tafel staan gebreide eierwarmers, de kinderen spelen in een hoekje met hun blokken en vader leest in zijn gemakkelijkste stoel de krant, sabbelend op zijn pijp.

Plotseling klinkt er rumoer van boven aan de trap; iedereen kijkt op en ziet opa staan, een gek hoedje op zijn hoofd en een wandelstok in zijn hand. 'Fine day for fishin! Fine day for wishin' zingt hij met krakende stem, terwijl hij zijn linkerbeen joyeus boven het trapgat laat bungelen. Het hele gezin begint te lachen. 'Wat was dat nou opa?' vraagt de oudste zoon. 'Dat was het liedje van Broer Konijn, jongen', zegt opa, 'dat heb ik altijd mooi gevonden.' 'Ik dacht eigenlijk dat u Bing Crosby nadeed', zegt vader peinzend, en opa lacht geheimzinnig.

De platen van pianist, componist, tekstschrijver en arrangeur Van Dyke Parks (1941) zijn een viering van het onbekommerde plezier. Zijn muziek is niet jolig, niet bedoeld om het venijn van alledag te verdringen, maar straalt een oprechte vrolijkheid uit, die nooit meer verstoord lijkt te zullen worden. Niet voor niets werkte Parks ooit samen met de Beach Boys, de koningen van de sun and fun-pop uit de jaren zestig. Maar waar bij hun muziek de eentonigheid snel op de loer ligt, vervelen Parks' platen nooit. Iedere nieuwe luisterbeurt openbaart nieuwe diepten, lagen en verrassingen, die vooral zijn toe te schrijven aan Parks' subtiele wijze van arrangeren en aan zijn teksten, die vaak teruggrijpen op oude volksverhalen. Zijn muziek krijgt iets utopisch door die combinatie, net zoals de vrolijkheid van Bing Crosby soms utopisch was. Parks' zorgeloosheid is oppervlakkig - eronder liggen leed en onvervulde verlangens, net als Crosby zingen de personages in Parks' teksten zich manhaftig maar overtuigend over verdriet, drank en dood heen. Maar toch: draai Discover America (1972), Jump! (1984) of Orange Crate Art (1995) in de ochtend en je voelt de zon de hele dag in je nek kriebelen.

Thomas Jefferson

“Ach”, grinnikt Parks aan de telefoon uit Los Angeles, als ik hem vraag waar dat plezier vandaan komt, “dat valt allemaal wel mee. Ik ben van nature een romanticus, maar ik vind dat je als kunstenaar niet teveel met je persoonlijke leven te koop moet lopen. Mijn teksten zijn geen weerspiegeling van mijn gemoedsleven, ze staan in dienst van de muziek. Ik ben een bewonderaar van Thomas Jefferson. Van hem wordt altijd gezegd dat hij zo droog schreef, en dus een heel saai mens was. Daar ben ik niet mee eens: als je zijn werk leest weet je dat Jefferson heel scherpzinnig is geweest, heel verfijnd ook - prachtige wijnen schijnt hij uit de Bourgogne te hebben meegebracht.”

Zonder twijfel is Van Dyke Parks een van de vreemdste fenomenen in de popmuziek. In de jaren, dat hij nog een apart lemma in de Nederlandse popencyclopedie waard werd geacht - tot eind jaren tachtig - werd zijn debuut-lp Song Cycle (1968) omschreven als 'waarschijnlijk wel het meest merkwaardige album ooit door een popmuzikant gemaakt'. Zijn enige hitje had hij in 1965 met een bewerking van Beethovens 'Ode an die Freude'. Verder verkopen zijn platen wereldwijd zelden meer dan een paar duizend exemplaren.

Parks ziet eruit als de oudere vennoot van een tandartsenpraktijk en zelfs Beach Boys-voorman Brian Wilson, een notoir psychiatrisch probleemgeval, kon in zijn autobiografie Wouldn't it be nice (1991) zijn verbazing over Parks nauwelijks onderdrukken. A wiry intellectual musician noemde Wilson hem, en hij verschafte Parks de eer te figureren als een van de weinige mensen met wie hij als gelijkwaardige kon communiceren.

Dit warrige imago heeft het de afgelopen jaren niet gemakkelijk gemaakt iets van Parks te horen of te zien. Zijn platen zijn bijna niet te krijgen, hij wordt door zijn platenmaatschappij genegeerd, en optreden doet hij ook maar zelden. Meestal werkt hij thuis, of in de studio, aan arrangenemtenten voor artiesten als Ry Cooder en Randy Newman.

Het is dan ook bijzonder dat Van Dyke Parks op het Crossing Border-festival in Den Haag zal optreden met het Mondriaan Kwartet, voor het eerst sinds lange tijd. “Als ik word gevraagd voor een optreden, is het meestal solo met piano”, vertelt Parks. “Daar heb ik niet altijd even veel zin in. Ik vind dat mijn muziek dan minder goed tot haar recht komt. Ik was dan ook zeer vereerd dat Crossing Border mij vroeg op te treden met het Mondriaan kwartet. Ze hebben een goede naam in Amerika. Ik ben wel benieuwd of ik me op het festival zal thuisvoelen. Er is mij verteld dat er allemaal mensen met piercings rondlopen.”

Parks' muziek is onmogelijk te categoriseren, wat in de hedendaagse popmuziek, waar de house al een tiental sub-categorieën kent, een hele prestatie is. Zijn platen zijn meestal in de bak pop/rock terug te vinden, maar dat is nauwelijks terecht, want Parks wisselt bijna per plaat van stijl. Zijn debuut Song Cycle was bijvoorbeeld een zee van geluid, waarin de afzonderlijke nummers nauwelijks te herkennen waren; de elpee Discover America (1972) stond vol met calypso-nummers, opgenomen met een steel-band en in het vorig jaar verschenen Orange Crate Art, dat hij samen met Brian Wilson maakte, klinkt zowel de invloed van oude musicals door als de muziek van de operette-componist Jacques Offenbach.

De beste plaat die Parks tot nu toe maakte is het in 1984 verschenen Jump! Van de buitenkant zag de plaat er nog het meest uit als een kinder-lp: op de hoes een enorm konijn, dansend over een landweggetje, daaromheen allemaal andere dieren, een vos, een schildpad, een beer, een das en nog meer konijnen, lieflijk getekend, in de stijl van Winnie de Pooh. Nog vreemder was de muziek, die het meest deed denken aan musicals uit de jaren dertig - zorgeloos vrolijke liedjes, overvloedig georkestreerd met harpen, cymbalen en violen. Toch was de plaat duidelijk geen poging tot het kopiëren van Andrew Lloyd Webber - daarvoor was de muziek enerzijds niet commercieel genoeg, anderzijds te subtiel gearrangeerd, en werd er veel te slecht op gezongen: de stem van Parks lijkt wel wat op die van Leen Jongewaard in In een rijtuigie. Maar, net als de meeste platen van Parks, blijft Jump! boeien - een vrolijker en tegelijk schrijnender plaat is waarschijnlijk nooit gemaakt.

Onweer

“Ergens begin jaren tachtig was ik door een orkest gevraagd muziek voor kinderen te schrijven”, vertelt Parks over het onstaan van Jump!. “Ik kwam er niet uit, en op een dag ging ik wandelen in de bergen van North Carolina, Een prachtig gebergte, massief en indrukwekkend. Terwijl ik daar liep begon het te onweren, en ik zocht beschutting. Plotseling sloeg vlak bij mij de bliksem in. In het licht van die flits zag ik onder een boom een vos staan. Ik dacht: dit moet een boodschapper zijn van God en ineens moest ik denken aan de verhalen van B'rer Rabbit, Broer Konijn, een oude reeks verhalen die via Afrika naar Amerika werd geïmporteerd. Universele verhalen, met een hoofdrol voor Broer Konijn die door z'n grappen weet te overleven. Die verhalen zijn lang beroemd geweest, maar in de jaren vijftig werden ze uit de bibliotheken verbannen, omdat ze worden verteld door de ex-slaaf Uncle Remus. Ik had het gevoel dat veel moois was weggegooid en daarom heb ik de verhalen als onderwerp voor Jump! genomen.”

Hoewel de plaat wederom bijzonder matige werd verkocht, besloot Parks' de Broer Konijn-verhalen opnieuw te boek te stellen. Hij publiceerde drie kinderboeken - Jump, Jump again en Jump on over - die uitstekend verkochten en waarvoor hij verschillende prijzen kreeg. “Daarna ben ik ermee opgehouden. Je moet zoiets niet uitmelken.”

Het dichtste bij muzikale roem was Parks in het midden van de jaren zestig, toen Brian Wilson - op dat moment de Amerikaanse equivalent van Lennon en McCartney samen - hem vroeg mee te werken aan een aantal projecten, waaronder het befaamde Heroes and Villains. Wilson was op dat moment door overmatig drugsgebruik zich steeds ongecontroleerder gaan gedragen en de andere Beach Boys beschouwden amfetamine-gebruiker Parks als een van de schuldigen. Parks en zanger-percussionist Mike Love, die het commerciële succes van de Beach Boys optimaal wilde uitbuiten, kregen een legendarische ruzie over de door Parks geschreven tekstregel 'Over and over the crow cries, uncover the corn field', waarvan Parks ioverigens zelf ook ook geen idee had wat het betekende. Love beschuldigde Wilson en Parks ervan de Beach Boys te willen vernietigen. Parks werd de studio uitgegooid en had een aantal jaren veel moeite om werk te krijgen. Nu wil hij over die affaire niet veel meer zeggen. “Brian had het erg moeilijk in die dagen. Hij had hulp nodig, the kindness of a stranger en die wilde ik hem graag geven. Verder heb ik alleen maar slechte herinneringen aan dat project. Ik had een goede reputatie tot dat moment, maar die rel is me lang nagedragen. Het is vreselijk om het onderwerp van zulke afgunst te zijn en het is nog erger als je werk zoveel afkeer en zelfs haat oproept.”

Sinds dat moment is Parks zich steeds minder met popmuziek gaan bezighouden. “Ik ben er ook eigenlijk niet zo in geïnteresseerd. Als mijn kinderen de radio aanzetten weet ik precies wat ik ga horen: altijd diezelfde combinatie van gitaar, drum, bas en zang, op verschillende volumes. Het probleem met popmuziek is dat er een enorme intolerantie bestaat ten opzichte van mensen die van het stramien willen afwijken. De platenindustrie heeft baat bij dat cliché - ze verdienen er bakken geld mee. Maar daardoor heerst er wel een hufterig soort wantrouwen tegen mensen die iets over muziek geleerd hebben. Muzikanten die muziek kunnen lezen, worden in de popmuziek geminacht. En dat merken mensen zoals ik: onlangs heb ik een platencontract aangeboden gekregen dat ronduit beledigend is.

“Mensen denken altijd dat ik een enorme optimist ben. Een kind van de jaren zestig, opgegroeid met drugs en peace, maar dat gevoel ben ik in de jaren zeventig al kwijtgeraakt. Hoe kun je nu optimistisch zijn in dit nucleaire stenen tijdperk? Ik beschouw mezelf eerder als een wanhopig mens, maar dat houd ik liever voor me. 'We're all lying in the gutter, but some of us are looking at the stars' heeft Oscar Wilde gezegd, en zo is het voor mij. Laten we naar boven kijken.”

Van Dyke Parks speelt op donderdag 12 september samen met het Mondriaan String Quartet in de Anton Philipszaal, op het Openingsgala van het Crossing Border Festival, aanvang 20.00 uur