Netanyahu en Arafat drukken elkaar de hand

TEL AVIV, 5 SEPT. De Israelische premier, Benyamin Netanyahu, en de president van het Palestijnse Gezag, Yasser Arafat, hebben elkaar gistermiddag uiteindelijk ontmoet. Maar de één uur durende bijeenkomst in Eres, op de grens tussen Israel en Gaza, tussen de twee leiders en hun delegaties was, naar hun gezichten te oordelen, bepaald niet plezierig en ook niet erg vruchtbaar.

Tijdens de zitting werd eigenlijk alleen maar besproken wat men op de gemeenschappelijke persconferentie zou zeggen, omdat de partijen inhoudelijk nog steeds hun problemen niet hebben opgelost. Na afloop leek Arafat vermoeid en geslagen. En Netanyahu zag er volgens de commentator van het Israelische tv-journaal zo grimmig uit “omdat hij net een pijnlijke besnijdenis had ondergaan waarmee hij was toegelaten tot het verbond van hen die aan het vredesproces deelnemen”.

Het resultaat van de ontmoeting was Netanyahu's toezegging dat Israel de autonomie-akkoorden van Oslo zal uitvoeren. Op dat woord 'uitvoeren' hadden de Palestijnen voortdurend gestaan. Maar het hoe en wanneer van die uitvoering moet worden uitgewerkt door de Israelisch-Palestijnse commissie van toezicht op de akkoorden. Want, aldus Netanyahu, “wij moeten rekening houden met de noden en eisen van beide partijen op basis van wederkerigheid en de garantie voor de veiligheid en de welzijn van zowel Israeliërs als Palestijnen”.

De commissie van toezicht moet zich nu buigen over de afgrendeling van de Palestijnse gebieden, Hebron en de nog te nemen veiligheidsmaatregelen in de regio - allemaal zaken die in directe relatie met elkaar staan. Zondag zal ook de Israelische minister van defensie met Arafat praten over Hebron en de afgrendeling van de Palestijnse gebieden.

Over de hergroepering van Israels troepen in de stad Hebron zal dus wel degelijk opnieuw worden onderhandeld. Arafat had dat vorige week al toegezegd, maar - uit angst voor zijn publieke opinie - geweigerd op schrift zetten, zoals Netanyahu eiste. Arafats woordvoerders en ministers hadden namelijk bij hoog en bij laag bezworen dat over Hebron niet nòg eens zou worden onderhandeld.

Niet bekend

Beide leiders kunnen nu tegenover hun achterban hun halfvolle glas voor gevuld verklaren.

Pagina 5: Arafat noch Netanyahu erg vrolijk

Maar hoe ongelukkig ze zijn, bleek uit hun lichaamstaal, ook al zeiden Palestijnse woordvoerders dat het publieke optreden veel killer was dan de atmosfeer tijdens de ontmoeting achter gesloten deuren. Voor de buitenwereld echter leek de 'historische ontmoeting' nog het meest op de aankondiging van de gedwongen verloving tussen twee partners die elkaar ten diepste verafschuwen. Zij arriveerden volgens een nauwkeurig geregisseerd scenario vijf minuten na elkaar om een publieke begroeting uit de weg te gaan.

Over dezelfde trap waarlangs Arafat ex-premier Shimon Peres vele malen aan de hand naar boven had geleid, klom eerst Netanyahu en daarna pas Arafat. Netanyahu had alle reden niet al te vrolijk te zijn. Zijn Likud-partij had immers in de verkiezingscampagne eindeloos de beelden getoond van diezelfde trap met Arafat en Peres hand-in-hand, en als commentaar: “Arafat neemt Peres niet alleen bij de hand, maar ook bij de neus.”

Ook Arafat had geen reden tot vreugde, al zei hij dat er “vooruitgang” was geboekt. Zijn naasten hadden voortdurend betoogd dat een inhoudsloze, ceremoniële ontmoeting totaal zinloos was. Hanan Ashrawi, de minister voor hoger onderwijs, verklaarde eergisteren nog: “De bijeenkomst is geen doel op zichzelf.” Maar dat was precies wat er gistermiddag gebeurde - om te tonen dat de Palestijns-Israelische dialoog daadwerkelijk is hervat.

Pas nadat de delegaties hun plaatsen hadden ingenomen, gaven Netanyahu en Arafat ten overstaan van de camera's elkaar over de tafel een slap handje. Hun handdruk was zó kort en vluchtig dat de cameramensen om een herhaling verzochten. Om hen te gerieven werd aan dat verzoek gedurende vier seconden voldaan - voor de Israelische televisie voldoende reden om het gebeuren de hele avond te herhalen, enkele malen zelfs in slow-motion.

Na afloop van hun gemeenschappelijke persconferentie, waarop Netanyahu Arafat als “meneer de voorzitter” betitelde (en niet meneer de president), en Arafat één keer Netanyahu per ongeluk in het Arabisch “meneer Bibi” noemde, bleek geen van de bestaande problemen te zijn opgelost. Toen zij waren uitgesproken, schreeuwden de journalisten die een paar uur buiten in de zon hadden staan bakken en niet bij de fotosessie waren toegelaten: “Schud elkaar de hand”. Maar Netanyahu liep resoluut weg, zonder zich naar Arafat om te draaien.

Netanyahu moest zich publiekelijk wel ongemakkelijk tonen, omdat de woede in de rechtervleugel van zijn Likud-partij en bij een aantal coalitiegenoten niet gering is. De man die jarenlang zijn politieke vijanden van de Arbeidspartij voor naïevelingen had uitgemaakt, eigenlijk verraders, omdat zij “de terrorist Arafat” de hand schudden en het Land Israels aan hem verkochten, had nu hun voorbeeld gevolgd. De eerste demonstranten voor zijn ambtswoning in Jeruzalem dienden zich al aan. Een klein groepje zwaaide met spandoeken, waarop het elfde gebod stond: “Gij zult niet verraden”. Eerder op de dag hadden hun linkse tegenstanders zich in Eres, eveneens in een klein groepje opgesteld met de spandoek: “Het werd tijd.”

Uzi Landau, de voorzitter van de parlementscommisie voor buitenlandse zaken en defensie, zei voor de televisie dat de ontmoeting voor Arafat een succes en voor Israel erg slecht was. Hij toonde zich diep teleurgesteld over Netanyahu. De ministers Benny Begin (zoon van Menahem Begin en bewaarder van diens geestelijk erfgoed) en Ariel Sharon uitten scherpe kritiek. Volgens Begin was de ontmoeting niet anders dan “capitulatie voor afpersing; en wie aan afpersers toegeeft, vergroot altijd hun eisen”. Rehavam Ze'evi, leider van de Moledet-partij die de regeringscoalitie steunt, vond dat Arafat nog steeds “de leider is van een terroristische bende”. Hij begreep niet waarom Netanyahu, “die was gekozen met de stemmen van het nationale kamp, naar Gaza moest gaan om de status van deze kindermoordenaar op te vijzelen”. De leiders van de joodse kolonisten in de bezette gebieden verklaarden dat gisteren “een zwarte dag” was. “Dat Rabin Arafat de hand schudde was een morele schande”, zei Yechiel Leiter, woordvoerder van de Raad van Joodse Gemeenschappen in Judea en Samaria (de Westelijke Jordaanoever). “En het is niet minder walgelijk als premier Netanyahu dat doet.”

Daarentegen zei de minister van toerisme, Moshe Katsav, die tevens vice-premier is, dat “wij in een situatie zijn, die ons is opgedrongen”. Maar ook dat Arafat “in een bijna-democratisch proces is gekozen”. Volgens hem is er, ondanks alle nadelen, geen andere Palestijns leider met wie Israel zaken kan doen. Waarmee hij letterlijk herhaalde wat Yitzhak Rabin en Shimon Peres de afgelopen jaren voortdurend hadden betoogd.

Ex-premier Peres noemde de ontmoeting “een grote, morele overwinning” voor zijn eigen regering en voldoende reden voor Netanyahu “om wat moed en eerlijkheid op te brengen (..) en zijn excuses aan te bieden voor wat hij over mij en vooral over Rabin heeft gezegd”. Andere ministers uit de vorige regering spraken over Netanyahu's “bedrog, cynisme en historische vervalsingen”. Zij betreurden het dat Netanyahu niet vrijwillig, maar door de buitenwereld gedwongen, Arafat had ontmoet. Tegelijkertijd toonden zij hun blijdschap dat “de helft van de Israelische bevolking nu toegeeft dat de andere helft (de Arbeidspartij en haar coalitiegenoten) gelijk had, ook al heeft die andere helft de verkiezingen verloren”. Vooralsnog lijkt dit een iets te voorbarige conclusie, al heeft Netanyahu namens 'het nationale kamp' een weg ingeslagen waarop terugkeer niet meer mogelijk is.

Ook Arafats woordvoerders probeerden er het beste van te maken. Saeb Erekat, één van zijn ministers en onderhandelaars, zei nog een paar dagen geleden dat het vredesproces onder de vorige Israelische regering de snelheid had van een schildpad, en Netanyahu die schildpad op zijn rug had gelegd. Gisteravond zei één van de journalisten die Arafats politiek aan de Palestijnen moet verkopen: “De schildpad lag op zijn rug, maar we hebben hem vandaag weer omgedraaid.”

Niemand kan beoordelen of het vredesproces inderdaad nu weer ècht op gang komt. De afgelopen dagen bleek al hoeveel obstakels er zijn. Eerst moest Netanyahu zich via zijn advocaat en onderhandelaar Yitzhak Molcho tegenover Arafat verontschuldigen omdat hij de Palestijnse leider had verboden per helikopter naar de Westelijke Jordaanoever te gaan en daar Shimon Peres te ontmoeten. En gisteren zag het ernaar uit dat de ontmoeting alsnog door Netanyahu zou worden afgezegd na een artikel van de Palestijnse journalist Khalil Sawahri, de dag tevoren in de krant al-Ayyam, waarin Netanyahu “een grotere nazi dan Hitler” werd genoemd.

Voor Arabische journalisten, schrijvers en politici is zo'n opmerking niets bijzonders. Zij zijn gewoon in één adem de holocaust te ontkennen of te bagatelliseren, en tegelijkertijd Israel en de zionistische beweging als erger dan de nazi's af te schilderen. Maar Netanyahu nam er aanstoot aan.

Gistermiddag, om tien voor vier, belde Arafat Netanyahu op. Hij bood zijn excuses aan voor het artikel en zei dat het Palestijnse Gezag het absoluut niet eens is met de inhoud ervan. Hij beloofde een onderzoek in te stellen hoe het mogelijk was geweest dat zo'n artikel in al-Ayyam was verschenen, dat bekend staat als de stem van de Palestijnse autoriteit. Pas daarna - tien minuten later - kondigde het bureau van Netanyahu de ontmoeting aan voor half zes (lokale tijd).