Nederlandse groei ligt onder niveau van Europese Unie

DEN HAAG, 5 SEPT. Nederland is niet het enige land waar het economische herstel na één jaar is afgevlakt. In de Europese Unie als geheel is dit eveneens het geval. Dat concludeert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in het vandaag verschenen 'De Nederlandse economie 1995', waarin het de economisch groei afzet tegen niet-financiële welvaartsaspecten.

Voor het eerst sinds 1992 lag de groei in Nederland in 1995 onder het Europese gemiddelde. De groei leidde volgens het CBS niet tot evenredig hogere druk op het milieu. De uitstoot van schadelijke stoffen door landbouw en nijverheid daalde, net als de vervuiling door huishoudelijke consumptie.

De 3,4 procent groei van het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking in het topjaar 1994 kon het jaar daarop niet worden vastgehouden. In 1995 steeg dit met 1,8 procent. Wel werd vorig jaar het hoge winstniveau van 1994 geëvenaard. Omdat de winsten van 1994 een jaar later voor een groot deel werden geïnvesteerd, was de investeringsgroei in 1995 de hoogste sinds 1986.

De groei was vorig jaar het sterkst in Flevoland, vooral door het grote aantal bouwprojecten daar. Ook in Zeeland en Limburg lag het groeitempo boven het gemiddelde, in beide gevallen wegens het herstel van chemiesector. In Groningen lag de groei onder het gemiddelde, mede door lagere gaswinning.

Het gemiddelde groeitempo van de jaren 1991 tot en met 1995 blijft achter bij de groei in de vijf jaren voor die periode. Vooral bedrijven hebben het tussen 1991 en 1995 niet aangedurfd te investeren. In tegenstelling tot de periode 1986-1990 toen de investeringen jaarlijks met zes procent stegen tegen een groei van het bruto binnenlands produkt (bbp) van drie procent in dezelfde periode. Het bbp is gelijk aan de nationale bestedingen (consumptie en investeringen) en uitvoer minus invoer.

Voor dat bbp is de dienstverlenende sector steeds belangrijker en neemt het belang van de industrie af. Was de dienstenbijdrage aan het bbp in 1970 nog 55 procent, vorig jaar lag dit percentage op 70 procent. De werkgelegenheid in die sector houdt daarmee gelijke tred. Het CBS concludeert daarom dat niet langer de goederenvoorraad het voornaamste kapitaal van de economie vertegenwoordigt, maar de kwaliteit van werknemers en de organisatie van de produktie.

Een groeiend vacatures betreft deeltijdbanen. Met name mannen profiteren van de groei in werkgelegenheid, het aantal werkloze vrouwen neemt nog enigszins toe. Van de andere kant is de arbeidsparticipatie van vrouwen met jonge kinderen sterk gestegen.

Voor het eerst sinds drie jaar neemt de vraag naar arbeid duidelijk toe. Het decenium van 'baanloze groei' is wat het CBS betreft afgesloten. De statistici schuiven dit op het conto van de loonmatiging.