In Liefde Bloeyende

Jan van der Noot (ca. 1538 - 1596-1601)

De Poëet aen synen Boeck

Sonet

Veel herder dan in stael, in koper oft pourphier

Heb ick dit werck volbroght, soo dat de loop derJaren

Noch d'Water, noch de Windt, noch oock Mulsiberscharen

Dat selfde nimmermeer en sullen scheynden fier:

Als mynen lesten dagh my sal doen slapen schier

Dan en sal Vander Noot niet al gaen inder baren:

Want siet zijn Boeck sal dan synen naem bat verclaren

Dan Marmer of Pourphier, al en ist maer papier

Het welck dan over alle jeughdigh, cloeck t'allen tyden

Sal vlighen (wiet benijdt) om dat ick my gheveughdt

Heb tot dat eerlijck werck, d'welck den Musen gheneughdt.

Musa wel aen, vlieghdt op, en bootschapt med verblyden

Inden hemel, dat ick alree heb overwonnen

Deur ulie jonste goedt, deur d'werck med u begonnen.

De dichter richt zich rechtstreeks tot de muze en stuurt haar om een boodschap. Musa wel aen, vlieghdt op. Het klinkt nogal dringend. De boodschap moet op geen geringer plaats dan in de hemel worden afgeleverd en ook de strekking is niet van eigendunk - noem het gerust ijdelheid - gespeend. Verkondig blij aan de hemel, draagt de dichter de muzen op, 'dat ik door jelui's gunst - en door mijn samenwerking met jullie de overwinning al heb behaald.'

De overwinning, wel te verstaan, op de sterfelijkheid en de anonimiteit. De dichter heeft namelijk een boek geschreven. Een bundel verzen die hij zelf voor erg geslaagd houdt. Als straks zijn laatste uur zal slaan

Dan en sal Vander Noot niet al gaen inder baren

wat zoveel wil zeggen dat, naar zijn bescheiden opinie, niet alles van hem inder baren zal verdwijnen, door de doodkist zal worden opgeslokt.

Het thema 'de onsterfelijkheid van de dichter' is een klassiek thema. Het is het thema van Horatius

Exegi monumentum aere perennius

ik heb een gedenkteken voltooid duurzamer dan staal. Ook de regen en de wind en zo nog het een en ander komen bij Horatius voor. De Franse Pléiade-dichter Ronsard heeft op dit aere perennius losjes een variatie geschreven en het gedicht van jonker Van der Noot is al even losjes daarop weer een variatie. Maar terwijl Horatius en Ronsard het bij harder dan staal houden, gooit Van der Noot er een schepje bovenop -

Veel herder dan in stael, in koper oft pourphier

Heb ick dit werck volbroght

- drie onsplijtbare stoffen, hier is duidelijk een man van de grote gooi aan het woord. Ook met het feit dat zijn werk regen en wind zou overleven was Van der Noot niet tevreden: hij is de enige die er het vuur aan toevoegt. Het vuur van Mulciber zelf. Mulciber is een bij dichters, van Vondel tot Staring, niet ongewone naam voor Vulcanus, de man van de smidse. Zelfs voor dát drastische vuur achtte Van der Noot zijn poëzie onschendbaar.

Jeugdig en kloek zullen zijn gedichten voor eeuwig boven iedereen blijven zweven.

Het was een algemeen thema, dat aere perennius, maar het moet Van der Noot persoonlijk hebben aangesproken. Hij geldt als de heraut van een nieuwe, zelfbewuste dichtkunst, schrijvend in een tijd waarin de dichters ineens een naam kregen en daarmee de gedichten een identificeerbare dichter. In regel zes noemt hij zijn eigen naam en het klinkt inderdaad als een renaissancistische zelfpromotie. Het thema van de zelfbewuste dichter wordt hier aangepakt door een dichter voor wie zelfbewustzijn - eigendunk - een tweede natuur was. Door een Brabantse jonker met een knap gezicht in een gistende tijd. Door iemand die zich - zie het wie het ook mag benijden uit de tiende regel - bewust was van andermans afgunst.

't Is geen geringe eigendunk die hier uit naam van de poëzie ten toon wordt gespreid. Dat je voor het nageslacht of (erger nog) voor de eeuwigheid schrijft en een 'oeuvre' moet scheppen dat de dood trotseert, die gedachte is onuitroeibaar. Niet alleen de poëzie zelf is onsterfelijk, of dan tenminste het geslaagde werk, ook de dichter - als persoon, als individu - maakt zij onsterfelijk. Dat was al zo bij Horatius. 'Een aanzienlijk deel van mij zal aan de doodsgodin ontsnappen', zong hij. Maar door de theatrale aanpak van Van der Noot - want zie, zijn boek en Muze, welaan - lijkt er een aspect bij gekomen. Men ziet hem haast tot een denkbeeldige mecenas gebaren. 't Is of hij wil zeggen: als mijn werk er voor eeuwig zal zijn, leven ook allen die er in optreden voort. Jij en jij, ook jullie kunnen onsterfelijk worden. Hoe beter jullie de dichter helpen bij zijn overwinning op de dood, hoe groter roem er voor jullie - de bezongenen - zal zijn weggelegd.

Jan van der Noot was een verwoed jager op geldgevers en begunstigers. In dit gedicht past hij, geheel in de geest van de renaissance, een oud gedachtengoed op persoonlijke, egoïstische wijze toe. Het gedicht diende om Van der Noot te helpen bij het slijmen van regenten en het loskloppen van geld, pardon, bij het zoeken naar een mecenas. De dichter wist welke attributen uit de voorraadkast het in zijn tijd nog zouden doen.

Iets wat ze in de literatuur nooit hebben afgeleerd.

Er zou eens onderzocht moeten worden of er niet een samenhang bestaat tussen dichters die groot belang aan de eeuwigheidswaarde van kunst hechten en dichters die manisch doen over geld. Een onderzoek dat zich tot vandaag dient uit te strekken.

Terug naar Jan van der Noot.

We zagen al dat hij niet terugdeinsde - eveneens in de geest van zijn megalomane tijd - voor de grote gooi. Hij liep zelfs met het idee rond een Europeade te schrijven, een Europa-epos. Hij had dus veel geld nodig. Dankzij de economie bestond er al op de drempel van onze moderne poëzie een gedicht waarin de dichter zich, behalve een rechterhand van God, een volleerd reclameman betoonde.