Het jaar van de kwalificatie

Het zal weinigen zijn ontgaan: iedereen is terug aan het Binnenhof. De ministers, de Kamerleden en niet te vergeten de journalisten. Nog meer nieuwsrubrieken produceren nog meer onnieuws. De meeste Kamerleden doen er graag aan mee. Want 1997 is niet alleen het jaar dat Nederland zich moet kwalificeren voor de Economische en Monetaire Unie, maar ook het jaar dat heel wat volksvertegenwoordigers zich moeten kwalificeren voor een verkiesbare plaats op de kandidatenlijst.

Het mechanisme daarbij is simpel: hoe meer naamsbekendheid, hoe groter de kans op prolongatie van de plaats in de Kamer.

Voor het kabinet is het een geruststellende gedachte. Naarmate meer Kamerleden ieder voor zich bezig zijn met de eigen toekomst, kan er ongestoord verder worden geregeerd. Gevaarlijk voor Kok en de zijnen wordt het pas als de profileringsdift zich fractiegewijs gaat manifesteren. Zo ver is het echter nog lang niet. Het elastisch vermogen van de coalitie blijkt onverminderd groot. In weerwil van de verwachtingen van bijna een jaar geleden zijn de begrotingsbesprekingen uiterst soepel verlopen, het gedwongen vertrek van VVD-staatssecretaris Linschoten heeft niet tot revanchistische gevoelens bij zijn partijgenoten geleid, een 'rendez-vous' tussen enkele PvdA-ers met het oppositionele CDA wordt door de overige coalitiegenoten vooral laconiek opgevat. En VVD-leider Bolkestein tenslotte staat nog wel regelmatig op gevoelige tenen van zijn partners in paars, maar die roepen tegenwoordig minder snel hardop 'au'.

Zolang het regeren zo zonder problemen verloopt, hebben partijen meer tijd voor zichzelf en hun afgevaardigden. Tumult is de komende tijd dan ook vooral van die kant te verwachten. In dat kader zijn vooral de ontwikkelingen binnen het CDA en D66 interessant. Bij beide partijen bestaat onduidelijkheid over het aanstaand leiderschap. Elk woord dat er in het openbaar over gesproken wordt, is er één te veel, zo is deze zomer wederom gebleken.

Het bontst wist D66 het te maken. De op het eerste gezicht vrij onschuldige mededeling van scheidend partijvoorzitter Vrijhoef in het weekblad Vrij Nederland, dat een eventuele nieuwe partijleider van D66 gezocht moest worden bij de bewindslieden van de partij en niet bij de Tweede-Kamerfractie leidde tot grote consternatie. Niet omdat dit nu zo'n unieke gedachte was, maar omdat Vrijhoef hiermee openlijk te kennen gaf minder van fractievoorzitter Wolffensperger geporteerd te zijn. De vraag is alleen of er binnen D66 dan mensen waren die wél wat in Wolffensperger zagen als toekomstig leider.

Nog meer zout in de wond strooide oud-senator Vis door voor de radio het functioneren van Wolffensperger in twijfel te trekken. De fractievoorzitter zou volgens het tegenwoordige lid van de Raad van State begin dit jaar tijdens het 'Van Randwijckbat' zijn partijgenote minister Sorgdrager te weinig in bescherming hebben genomen. Toch aardig om uit de mond van een D66'er van het eerste uur zo'n onvervalst pleidooi voor het monisme te horen. Het verwijt aan D66'ers was altijd dat zij zo slecht met macht om wisten te gaan. Getuige de woorden van Vis beginnen in elk geval delen van de partij het behoorlijk te leren. Ministers uit de eigen club dienen door dik en door dun gesteund te worden. Hoe mooi stond het twee jaar geleden nog in het verkiezingsprogramma van D66: “Niet met kunst en vliegwerk een kabinet in het zadel houden, maar de opvattingen van de kiezers vertegenwoordigen en het regeringsbeleid controleren en toetsen.”

De consternatie die bij D66 is ontstaan naar aanleiding van de diverse uitlatingen heeft in elk geval duidelijk gemaakt dat de partij wat het leiderschap betreft nog kwetsbaarder is dan andere partijen. De enige relevante vraag voor D66 is die of 'Hans' beschikbaar is. Waarbij in het midden wordt gelaten of dit Hans van Mierlo dan wel minister van Economische Zaken Hans Wijers betreft. Het wachten is op het antwoord van de eerste Hans. Deze heeft zoals gebruikelijk zijn twijfels. Zolang deze blijven voortduren - twijfel is nu eenmaal een tweede natuur van Van Mierlo - zal D66 achtervolgd blijven door incidenten zoals die zich de afgelopen weken hebben voorgedaan.

Bij het CDA is de situatie andersom. Daar wacht de partij niet op antwoord van de leider, maar de leider op antwoord van de partij. Gaat het CDA straks de verkiezingen in met Heerma? Het standaardantwoord van partijvoorzitter Helgers luidt dat daarover pas in het najaar van 1997 bij het opstellen van de CDA-kandidatenlijst voor de Tweede Kamer wordt beslist. Het lijkt zowaar een hommage aan de interne partijdemocratie, want dat is inderdaad de formele gang van zaken. Dat neemt niet weg dat de vraag of Heerma wel de juiste figuur is voor het CDA om straks de verkiezingen mee in te gaan de partij al sinds zijn aantreden in 1994 bezighoudt. De debatten in de Tweede Kamer, zullen steeds meer in het teken komen te staan van de verkiezingen van 1998. Fractieleider maar vooral ook oppositieleider Heerma staat in die discussies bij voorbaat op achterstand als niet duidelijk is wat zijn eigen positie is. Daarbij komt dat als Heerma de CDA-lijst niet gaat leiden, de tijd voor een opvolger om zich te profileren steeds krapper wordt.

Het dreigt bij de verkiezingen van 1998 alleen maar tussen de giganten Kok en Bolkestein te gaan, zo werd al lang geleden zowel binnen het CDA als D66 gesomberd. Maar beide partijen hebben er tot nu toe alles aan gedaan die wedstrijd voor twee heren straks inderdaad te laten plaatsvinden. Wie de strijd wil verbreden, zal daarvoor ook de spelers moeten leveren. Maar dat is nu juist het probleem van het CDA en van D66.