Goede studenten

De column van E.J. Bomhoff - goede studenten, slechte minister - in de krant van 26 augustus spreekt mij zeer aan. Inhoudelijk kan ik me goed in zijn betoog vinden. Niettemin wil ik een kleine historische correctie toepassen.

Bomhoff schrijft dat in de jaren zestig de toelating tot de medicijnenstudie nog vrij was en dat er bijvoorbeeld studenten uit Noorwegen hier de opleiding kwamen volgen. Direct daarop schrijft hij dat er wachttijden ontstonden voor plaatsen bij de klinische vakken. Wellicht onbedoeld suggereert hij dat die wachttijden - mede - het gevolg waren van die buitenlandse studenten. Dit doet wat xenofoob aan en is ook niet juist.

Ik ben in 1963 begonnen met mijn studie medicijnen aan de Gemeente Universiteit te Amsterdam tezamen met circa tweehonderd andere eerstejaars. Hieronder waren pakweg tien Noorse studenten. Ongeveer vijf procent dus.

De motivatie om te zorgen dat je op tijd je examens haalde was naast gewoon plichtsgevoel niet dat je bang was dat die paar Noren je plaats zouden bezetten. De wachttijden voorzagen wij toen al, omdat we wisten dat een geboortegolf ons op de hielen zat. Wij hadden immers al de middelbare school in korte tijd explosief zien groeien. Wij wisten wat er aan kwam.

In die tijd had je heus genoeg tijd over voor een goed sociaal studentenleven, maar je zorgde wel dat je na het eerste jaar je propaedeuse, na je derde je kandidaats en na je vijfde je doctoraal had. Gewoon vergelijkende examens. Zonder wachttijd kon ik zo beginnen aan mijn co-schappen, kon ik na mijn afstuderen zonder problemen een plaats vinden voor mijn specialisatie en had ik daarna volop de keuze om mij in den lande te vestigen. Hierna is de geboortegolf van 1946 gekomen. Vraag deze generatie maar eens hoe het nu is om een plaats als huisarts of specialist te vinden.