GESCHIEDENIS

2000 v. Chr. De oorsprong van de computer is moeilijk te bepalen. Wie voor het woord computer de vrije vertaling 'reken-hulpmiddel' hanteert, komt uit bij de Babylonische marktkooplieden die kleitabletten en spijkerschrift gebruiken om te rekenen.

500 v. Chr. De oude Grieken hanteren telramen in navolging van de Egyptenaren. Ze gebruiken een vijftallig stelsel.

1624. De Duitser Wilhelm Schickard ontwerpt de rekenklok, een mechaniek dat werkt door tandwieloverbrenging. Een losse teller werkt als geheugen.

1642. De Franse filosoof en wiskundige Blaise Pascal vindt de numerieke, digitale computer uit. Hij ontwerpt voor zijn vader, belastingontvanger, een rekenmachine die via tandwielen tot een eindresultaat komt.

1833. De Brit Charles Babbage ontwerpt de 'analytical engine', een programmeerbare machine die cijfers opslaat en omrekent; het concept wordt geniaal genoemd. Babbage maakt ook een prototype, maar de vereiste precisie om de machine nauwkeurig te laten werken, ontbreekt.

Tweede Wereldoorlog. In de aanloop van de Tweede Wereldoorlog ontwikkelen Duitsers, Britten en Amerikanen elektronische digitale computers. In de VS stellen John Presper Eckert en John Mauchly dat hun computer geschikt is voor het berekenen van kogelbanen, maar het leger reageert terughoudend. De Duitse ontwerpers Konrad Zuse en Helmut Schreyer proberen hun legerleiding voor computers te interesseren, maar die ziet evenmin het nut van ingewikkelde en dure rekenmachines. De Britten hebben wel belangstelling. De wiskundige Alan Turing ontwerpt de Colossus om de Duitse militaire codes te kraken. Het apparaat werkt met radiobuizen.

1946. Vooral in de VS gaat de ontwikkeling van de computer erg snel. Eckert en Mauchly bouwen de ENIAC, met een rekenend hart van 18.000 radiobuizen. Grote koelelementen moeten ervoor zorgen dat de buizen niet doorbranden.

Jaren vijftig. Introductie van zogeheten ferrietkernen: magnetische ringetjes waarin gegevens digitaal kunnen worden opgeslagen. De capaciteit van de computer maakt een grote sprong voorwaarts met de invoering van de transistor, een miniatuur-versie die de elektronenbuis volledig vervangt. De trend van steeds snellere, kleinere computers met een steeds grotere capaciteit is gezet.

Jaren zestig. De transistor wordt opgevolgd door het IC, Integrated Circuit, een miniatuurschakeling. Dit maakt een meer dan honderdvoudige verhoging van de rekensnelheid mogelijk. Alle nieuwe technologieën brengen de computer echter nog niet op ieder bureaublad. Alleen grote bedrijven en instellingen kunnen zich een grote hoofdcomputer, een mainframe, permitteren waarop een groot aantal medewerkers zich aansluit. Enkele Amerikaanse universiteiten leggen een verbinding tussen hun hoofdcomputers. Het Amerikaanse ministerie van Defensie besluit eveneens al zijn belangrijke computers te koppelen: de aanzet tot het Internet.

Jaren zeventig. De miniaturisatie zet door met de komst van de chip, een siliciumschijfje waarop een zeer kleine elektronische schakeling ligt van soms enkele moleculen dik. De persoonlijke computer komt voor iedereen binnen handbereik, want chips zijn klein en goedkoop.

Jaren tachtig. IBM en Apple brengen pc's op de markt die, na mislukte pogingen van anderen, wel aanslaan. Een nog altijd onbesliste concurrentiestrijd barst los.

Jaren negentig. Universiteiten, bedrijven, instellingen en particulieren worden gekoppeld aan een mondiaal netwerk: Internet. Een oud concept komt terug; kleine pc's kunnen hun software van het net betrekken om te functioneren. Dat maakt de harde schijf overbodig en brengt mainframes in nieuwe gedaante weer in zwang.