De priesters werden huisvaders

Het kleinseminarie Beekvliet is niet meer. Maar na een halve eeuw kwamen de oud-leerlingen van de 'kwaai klas' weer bij elkaar, voor een reünie. Priester werden de meesten niet. “Het was een kwestie van overleven.”

SINT-MICHIELSGESTEL, 5 SEPT. Heren, gestoken in wandelkostuum, liepen gisteren door het midden-Brabantse dorp Sint-Michielsgestel. Ze waren kuierend en koutend op weg naar de kerk voor de heilige mis die met een Veni Creator Spiritus werd ingezet. Ze zijn nu huisvaders. Maar een belangrijk deel van hun jeugdjaren hebben ze onder streng regime gesleten op het kleinseminarie Beekvliet voor de opleiding tot priester van het bisdom 's-Hertogenbosch. Na de mis haalden de reünisten van het schooljaar 1946 herinneringen op in restaurant De Drie Zwaantjes, dat ze vroeger elk trimester met hun ouders bezochten.

Het was een bijzondere klas geweest, deze gymnasiumklas van de inmiddels drooggevallen kweekvijver voor het Brabantse roomse kader. Voorzitter A. van den Berg van het reünistencomité, 61 jaar en burgemeester van Teteringen: “Het was voor de seminarieleiding waarschijnlijk een lastige klas, een kwaai klas, zoals ze zeiden. De oorlog was net voorbij. We hadden als jongetjes tussen de Engelse en Canadese bevrijders rondgehangen en we waren daardoor een beetje vrijgevochten. Toen moesten we in het gareel van het seminarie zoals het voor de oorlog had bestaan, maar we deden niet langer wat voordien onvoorwaardelijk was geëist, namelijk je onderwerpen aan al die regels.”

Uit het reglement van Beekvliet: “De hoofddeugd der studenten is eene christelijke gehoorzaamheid van hart en geest”. Zich ophouden “in hoeken of kanten om zich aan de waakzaamheid der bestuurders te onttrekken” was verboden en brieven werden geopend. Op het overtreden van de regels stonden strenge straffen, zoals een laag punt voor 'gedrag'. Wie daarin herhaaldelijk slecht scoorde werd na raadpleging van de bisschop van de instelling verwijderd.

Voor de reünie waren 88 oud-leerlingen getraceerd. Van hen waren er slechts tien priester geworden, van wie een aantal later uittrad. De anderen werden ambtenaar, onderwijzer, leraar, huisarts, belastingadviseur of journalist. Een bracht het tot kluizenaar omdat zelfs het Trappistenleven hem nog niet streng genoeg was. Een paar kwamen niet omdat ze niet aan die tijd herinnerd willen worden.

Herinneringen werden opgehaald aan leraren als Peer Kwak, D'n Buik, De Snoek, 't Putje, de Max en Sjaantje. Journalist Puck Hooglugt, die de redactie voerde van het boek Nunc meminisse iuvat dat ter gelegenheid van de reünie werd samengesteld en dat getuigenissen bevat van de klasgenoten van 1946: “Het was op Beekvliet een kwestie van overleven, het gebrek aan gevoel is me nog het meest bijgebleven.”

Het was geen opvoeding maar opgroeien, vertelt Hooglugt. “Maar wel had ik, toen ik er voor koos, een hartstochtelijke roeping naar het priesterschap, hoewel ik nooit priester ben geworden.” Bij aankomst in Sint-Michielsgestel vond Hooglugt een verrassing. Zijn ex-vrouw had hem per post het missaal gestuurd dat hij bij het vertrek naar Beekvliet had gekregen van zijn ouders.

De 64-jarige Willem Lam uit Oosterbeek, nu werkzaam in het notariaat: “In de oorlog hadden er in Beekvliet bekende Nederlanders als gijzelaars gezeten van de Duitse bezetters. Ik kan me nog heel goed herinneren hoe velen van hen na de oorlog nog eens kwamen kijken naar de plek waar ze vast werden gehouden. Je kon ze dan uit de klas door de gang zien lopen.”

Later op de dag ging de groep naar wat is overgebleven van het eens gigantische complex van Beekvliet. Alleen de voorbouw rest nog. Het was Van den Berg die als lid van de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel wist te bewerkstellingen dat althans dat deel van het seminarie overeind zou blijven. De redenen: er waren 175 jaar lang priesters opgeleid, er was een beroemd gijzelaarskamp in gevestigd en het is voor het dorp een markant gebouw.

Van den Berg haakte af na zes jaar kleinseminarie (daarna kwam nog het grootseminarie), zoals de meeste klasgenoten deden. “We hadden, denk ik, geen roeping meer. Een groot aantal had zich bovendien moeten forceren om zich aan de strenge regels te houden. Mijn vader zei: 'Zou je geen onderwijzer worden?' Mijn moeder moest vreselijk huilen.”