Compromis over subsidie VW is tijdelijke oplossing

BRUSSEL, 5 SEPT. Een hooglopend conflict tussen de Europese Commissie en de Duitse regering over overheidssteun aan Volkswagen is gisteren geluwd. De ruzie dreigde uit te draaien op een spoedprocedure bij het Europese Hof van Justitie in Luxemburg. Zo ver kwam het niet, maar de Commissie legt de zaak van de in haar ogen ongeoorloofde subsidies toch voor aan het Hof en ze behoudt zich ook het recht voor alsnog een spoedprocedure aanhangig te maken.

De Commissie had Duitsland tot gisteren de tijd gegeven een voorlopige oplossing te vinden voor het conflict. Zo niet, dan zou ze voor een spoedprocedure naar het Europese Hof van Justitie stappen. De Oostduitse deelstaat Saksen, die de gewraakte overheidssteun toekende, weigerde deze te blokkeren. Een compromis werd bereikt, doordat de Duitse regering gisteren schriftelijk toezegde 91 miljoen mark aan volgens de Commissie te veel uitgekeerde subsidies te bevriezen. Ook Volkswagen accepteerde dit als een “constructieve bijdrage” aan het slechten van het geschil. Eerder had de autofabrikant gedreigd zich uit Saksen terug te trekken, als het niet de volledig toegezegde steun kreeg.

Volgens eurocommissaris Karel van Miert (mededinging) is het gisteren bereikte compromis slechts een tijdelijke oplossing. Hij blijft erbij dat de 780 miljoen mark steun die Saksen heeft toegezegd aan Volkswagen voor de bouw van twee nieuwe bedrijven in Mosel en Chemnitz, 240 miljoen te veel is. Het zou volgens Van Miert de concurrentie in de auto-industrie verstoren.

Saksen stelde zich onvermurwbaar op, maar voor Brussel is de regering in Bonn de gesprekspartner en die lijkt het minder hard te spelen. “In Bonn gaat men ervan uit dat voor het eind van het jaar een oplossing wordt gevonden”, aldus de commissaris gisteren. De Duitse minister van economie, Günther Rexrodt, verklaarde dat het nu bereikte compromis “tijd geeft om tot een rationele oplossing te komen”.

Intussen begint de Commissie een, in de woorden van Van Miert, “klassieke procedure over de kern van de zaak” bij het Europese Hof, die jaren kan duren. Saksen betoogt dat de overheidssteun moet worden toegestaan, omdat het gaat om een investering in een economisch achtergebleven gebied waarbij 23.000 banen op het spel staan.

De Oostduitse deelstaat beroept zich op een speciaal artikel in het oprichtingsverdrag van de Europese Gemeenschap, dat bepaalt dat de commissie flexibel moet omspringen met “steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, voor zover deze steunmaatregelen noodzakelijk zijn om de door deze deling berokkende economische nadelen te compenseren.” Volgens Van Miert blijft de Commissie unaniem bij het standpunt dat dit alleen geldt voor een klein aantal specifieke gevallen. Oud-commissievoorzitter Jacques Delors heeft volgens Van Miert in 1993 al doen verstaan dat Duitsland het artikel verkeerd interpreteerde.

De procedure die de Commissie nu aanspant tegen Duitsland noemde Van Miert gisteren “normal business”. De Commissie begint vaak dergelijke procedures wegens in haar ogen onrechtmatige staatssteun die de concurrentieverhoudingen op de interne markt verstoren. Overheden in de Europese Unie kunnen alleen onder strikte voorwaarden subsidies verlenen en de Commissie moet erop toezien dat ze zich daaraan houden.

Meestal gaan de conflicten over staatssteun tussen Brussel en zuidelijke lidstaten van de Europese Unie. De Commissie krijgt vaak het verwijt te horen dat ze zich te weinig onafhankelijk opstelt, vooral als het gaat om grotere lidstaten. Zo werd een miljarden subsidie aan vliegtuigmaatschappij Air France na een intensieve Franse lobby goedgekeurd.

Het conflict tussen Van Miert en Duitsland is extra delicaat, omdat Bonn concurrentiezaken wil overhevelen van de Europese Commissie naar een apart, onafhankelijk bureau. Op de Europese top van Turijn eind maart, stelde Duitsland voor zo'n Europees concurrentie-agentschap op te richten, omdat dit zou voorkomen dat besluiten over mededingingsbeleid worden genomen onder politieke druk. Ook zou een bureau sneller besluiten kunnen nemen dan de commissie. Van Miert verwerpt dit idee, omdat concurrentiebeleid volgens hem integraal onderdeel is van de gemeenschapspolitiek en geen doctrine op zich. Van de overige EU-lidstaten lijkt alleen Italië het Duitse voorstel te steunen.