BOSS IN AMSTERDAM

Vorige week heeft het Duitse modemerk Hugo Boss de deuren van een groots opgezette herenkledingwinkel geopend in de Amsterdamse P.C. Hooftstraat 49-51. Het volumineuze pand degradeert de omliggende winkels tot Madurodam-achtige proporties. In het interieur van deze zogenaamde pilot store domineren witte muren, blank hout, en een zorgvuldige, haast warme verlichting.

Het is er prettig bijkomen als men is moegekocht: er staan forse leren banken en er is een bar met een royale keuze bronwaters en opgepoetste Granny Smith appels.

Aan het einde van de jaren tachtig was het Hugo Boss-pak synoniem met wijd gesneden bandplooibroeken en een schouderpartij die beduidend breder was dan de drager zelf. Maar de firma heeft in het afgelopen decennium heel wat veranderingen ondergaan. De snelle groei - in 1980 bedroeg de omzet nog 100 miljoen DM, tien jaar later was dat bijna een miljard - vormde de basis voor een koerswijziging. In 1991 kreeg de Italiaanse textielgroep Marzotto een meerderheidsbelang in Hugo Boss en werd daarmee de grootste herenmodefabrikant van Europa.

De Italiaanse link is tegenwoordig ook in de collecties terug te vinden. Het merk is opgedeeld in drie lijnen. Het Hugo-label is een trendy lijn, gericht op jong modebewust publiek; het zakenvolk zal zich aangesproken moeten voelen door de Boss-lijn en enige jaren geleden is er de prijziger en fraai afgewerkte Baldessarini-collectie bijgekomen. Een exclusieve lijn, bedoeld voor veeleisende figuren die handwerk, stoffen en details weten te waarderen. De collecties worden ontworpen door het designteam onder leiding van de Oostenrijkse managing designer Werner Baldessarini. Een bevlogen ontwerper die al twintig jaar voor Boss werkt en geldt als de smaakbepaler van het bedrijf.

Bij het ontwerpen van nieuwe winkels is Baldessarini niet betrokken, maar desgevraagd kan hij zich vinden in het internationaal toegepaste winkelconcept: het oogt rijk maar is niet snobby, je voelt je er prettig en de veelheid aan tafels maken het makkelijk om kleding te bekijken. “Als ik zelf bij een winkel van Versace binnenstap voel ik me net een pygmee. Een dergelijk imposant, dramatisch decor maakt me nietig en bang om ook maar iets aan te raken.”

Ter inspiratie gaat Baldessarini vaak naar New York. “Naar mijn idee kan een ontwerper daar veel trends oppikken. Niemand is bang voor wat een ander van hem denkt. Die vrijheid en diversiteit kom je in Parijs, Milaan of Duitsland niet tegen.” Op de vraag in welke Europese landen men zich volgens hem het beste kleedt, aarzelt hij geen moment. “Op de eerste plaats staan de Italianen, die maken nimmer fouten, op de tweede komen de Italianen en als goede derde zijn er natuurlijk de Italianen.”