007-gehalte van Bormann-boek maakt het nog niet tot fictie

Naar algemeen werd aangenomen kwam Martin Bormann in 1945 om het leven in het brandende Berlijn. Of heeft de Britse geheime agent Christopher Creighton misschien gelijk, die met zijn boek 'Operatie JB' (Balans/Van Halewijck, 1996) wil aantonen dat Bormann met hulp van de Britse geheime dienst uit Duitsland ontsnapte?

Harry van Wijnen gunt hem vooralsnog het voordeel van de twijfel.

De voormalige Britse geheime agent Christopher Creighton heeft de kunst van het vak ongetwijfeld afgekeken van Ian Fleming, de schepper van James Bond. Creightons boek over de ontvoering van Martin Bormann uit de bunkers bij de Rijkskanselarij in het brandende Berlijn vertoont op een aantal punten sterke overeenkomsten met de spannende, maar in hoge mate onwaarschijnlijke, krachttoeren van James Bond. In zijn beschrijving van Bormanns ontvoering uit Berlijn, maar vooral in de weergave van de moordfantasieën die hem bespringen wanneer hij plotseling oog in oog komt te staan met Hitler, toont Creighton zich een talentvol leerling van de thrillerschrijver Fleming, die in de oorlogsjaren zijn directe chef was bij de geheime dienst van de Britse marine. En soms schiet Creightons fantasie wel meer dan een scheepslengte door. Op de laatste dag van de zitting van het tribunaal in Neurenberg bijvoorbeeld laat Creighton de bij verstek veroordeelde Bormann in vermomming zijn eigen berechting bijwonen. Dat is een even groteske als overbodige literaire versiering die de aannemelijkheid van zijn verhaal niet vergroot. Maar dat neemt allemaal niet weg dat Creighton (of zijn ghostwriter) zijn verhaal op een amusante toon vertelt en met een vaart die de echte James Bond naar adem zou doen snakken.

Of Creightons verhaal ware geschiedenis is, is bij gebrek aan documenten moeilijk uit te maken, maar dat geldt voor zoveel literatuur over de geheime diensten. Want nergens wordt de wet van Morton zo consequent toegepast als in het schimmenrijk van de geheime diensten: vertrouw niets aan het papier toe, bewaar niets voor de geschiedenis, laat nooit sporen achter. Creightons boek openbaart daarentegen voor het eerst de identiteit van de obscure Sectie M, de onzichtbare tak van de Britse marine-inlichtingendienst, waarover meer mythes dan documenten bestaan. De Sectie M was een creatie van de majoor Desmond Morton (van de gelijknamige wet), die tijdens de Eerste Wereldoorlog secretaris was van de Britse opperbevelhebber Haig en tijdens de Tweede Wereldoorlog Winston Churchills persoonlijke adviseur in veiligheidskwesties. In de omvangrijke Britse literatuur over de militaire geheime diensten wordt de Sectie M zelden met naam en toenaam genoemd, maar dat wil niet zeggen dat ze een bedenksel was. Het staat vast dat de koninklijke adviseur in kunstzaken Anthony Blunt (die in de jaren tachtig als KGB-spion door de mand viel) in 1945 onder de vlag van Sectie M naar Duitsland werd gestuurd om bij de Duitse familie van George VI uit het door de Amerikanen gevorderde kasteel Friedrichshof bij Kronberg een pak compromittante brieven te stelen waaruit de nazi-gezindheid van enige familiebetrekkingen zou spreken.

De Sectie M, die gespecialiseerd was in het opknappen van geheime klusjes voor de regering en lange tijd ook uit de persoonlijke beurs van de koning werd bekostigd, opereerde buiten de werking van de ministeriële verantwoordelijkheid. Dat had voor de regering het tweevoudige voordeel dat de premier er niet door zijn ministers over lastig werd gevallen en dat de ministers op hun beurt door het parlement met rust werden gelaten.

De bijzonderheden die Creighton over de werkwijze van Sectie M vertelt leveren weliswaar geen sterk bewijs van Bormanns ontvoering op, maar ze bevatten wel verifieerbare elementen. De meeste hoofdrolspelers in zijn verhaal zijn intussen overleden (Morton, Fleming, Churchill, Ismay, George VI), maar niet Susan Kemp, die figureert als ondercommandant bij de operatie JB. Zij had de ziel van Jeanne d'Arc en de hardheid van een commando en zij is kennelijk de bron geweest waaraan Creighton zijn geheugen heeft getoetst. Susan Kemp, die na de oorlog jarenlang het hoofd van Sectie M was, heeft Creighton volgens eigen zeggen tot schrijven aangezet, maar is niet bereid zich in de publiciteit te wagen. Slechts tegenover één, door Creighton als getuige opgevoerde, militair publicist heeft zij de met kajaks uitgevoerde ontsnappingsoperatie bevestigd.

Over het uiteindelijk resultaat van zijn avontuurlijke inspanningen deelt Creighton teleurstellend weinig mee. Waarschijnlijk lag dat buiten zijn gezichtsveld, maar het zou zijn boek meer gewicht hebben gegeven wanneer hij de moeite had genomen de financiële opbrengst van de ontvoering even na te tellen. Daar ging het immers om. Bormann was de schatbewaarder van de plundermiljoenen die de nazi's in Europa bij elkaar hadden gestolen en op Zwitserse bankrekeningen hadden gedeponeerd. Hij was de enige mandataris van de Berlijnse roversbende die de bankrekeningen in Zwitserland kon openen. Volgens Creighton is negentig procent van het 'Zwitserse nazivermogen' bij de geallieerden terecht gekomen en is de overige tien procent in Zwitserland gebleven. Over dat bedrag - dat door rente over vijftig jaar tot miljarden zou zijn aangegroeid - wordt tot de tegenwoordige dag door de werkelijke rechthebbenden geprocedeerd.

Creightons verleden als geheim agent is overigens nooit betwist. Ook het milieu waaruit hij afkomstig is, is bekend. Christopher Creighton (voor de burgerlijke stand: John Cristopher Ainsworth-Davis) diende in 1944 als subaltern officier bij de Naval Intelligence Division, de officiële dekmantel van Sectie M. Bij diezelfde dienst leidde Ian Fleming de geheime operaties. De zestien jaar oudere Fleming was bevriend met Creightons vader, de chirurg Jack Ainsworth Davis, die op zijn beurt zowel bevriend was met de koning, Churchill en Morton als met Ribbentrop, Hitlers latere minister van Buitenlandse Zaken. Als we hem mogen geloven werd Christopher al voor het vak geoormerkt toen hij nog op de middelbare school zat. Zonder het destijds zelf te weten werd hij door Morton gerecruteerd op grond van een geheime overeenkomst waaraan 'Creighton' senior zijn zegen had gegeven. De jonge Christopher noemde Ribbentrop, die in zijn Londense ambassadeursjaren vaak bij de Ainsworth-Davises thuis kwam, 'oom' en dankzij die goede betrekkingen met deze Duitse Onkel zouden Creighton en Sectie M later entree gekregen hebben bij Bormann.

De meeste Britse historici die intussen de vloer met de Operatie JB (naar James Bond, die al in 1944 in het hoofd van Fleming rondspookte) hebben aangeveegd, hechten geen geloof aan Creightons verhaal. Andrew Lycett, de biograaf van Fleming, heeft het als een bizar verzinsel bestempeld, omdat Creighton in zijn boek Ian Fleming laat optreden op plaatsen waar hij volgens Lycett nooit geweest kan zijn. Maar die ontkenning is op zichzelf niet overtuigend, want ook Lycett is er niet in geslaagd het geheime leven van Commander Ian Fleming bloot te leggen. Over Flemings geheime oorlogsactiviteiten laat zijn biografie (1994) het volledig afweten. Komende biografen van Ian Fleming zullen het er waarschijnlijk niet beter afbrengen. Fleming heeft over zijn oorlogsjaren nooit een woord gesproken, zelfs niet tegenover Noel Coward, zijn beste vriend. Ook prins Bernhard heeft nooit geweten dat hij op last van de Britse regering (die hem in het begin van zijn Londense ballingschap niet helemaal vertrouwde) in Londen enkele jaren onder geheim toezicht van de marinecommander Fleming heeft gestaan.

De enige toespeling die Fleming ooit op zijn rol bij de ontvoering van Bormann heeft gemaakt staat in een aan Creighton geschreven brief uit 1963, die in het boek is opgenomen. De sceptici zullen zeggen: Als Creighton zijn verhaal heeft verzonnen, zal ook die brief wel een vervalsing zijn. En dat zou dan ook gelden voor brieven en memoranda van Churchill, koning George VI en Lord Mountbatten of Burma, die als aanvullend bewijs dienen.

Vorige week heb ik die papieren, die bewaard worden in een kluis van Creightons uitgever Simon & Schuster, samen met een redacteur van het Nederlandse televisieprogramma Nova en Creightons Nederlandse uitgever Gaarlandt in het gebouw van de uitgeverij aan de Haymarket in Londen gezien. Voor de zekerheid: alle brieven zijn als echt gewaarmerkt door een onafhankelijk grafologisch instituut.

De Engelse historici hebben zich door die documenten niet laten overtuigen. Ook Kees Schulten, de oud-directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, kwalificeerde Creightons boek dinsdagavond in Nova in de kern als onzin. Bormann kon niet ontvoerd zijn, zei hij, omdat hij in de eerste week van mei 1945 in Berlijn gedood is door Russisch tankvuur. “Dat zijn de historische feiten.” Maar juist over de historische feiten zijn de geleerden het geenszins eens. De Britse chirurg Hugh Thomas heeft in zijn recente studie Doppelgängers (Londen, 1995) overtuigend aangetoond dat er jarenlang op grote schaal met de 'feiten' van 1945 geknoeid is om Bormann uit de naoorlogse geschiedenis te verwijderen. Wie het bewijs kan leveren dat Creighton Operatie JB heeft verzonnen, kan van zijn Engelse uitgever een vorstelijke beloning tegemoet zien.