Verdreven Kroaten bejubelen democratie in Bosnië

BUGOJNO, 4 SEPT. Voor één dag is de sporthal in het Centraal-Bosnische stadje Bugojno, dat voor 95 procent wordt bewoond door moslims, van de Bosnische Kroaten. Ze zijn met bussen gekomen uit Bosnië en Kroatië om de leiders van de regerende Kroatische Democratische Partij (HDZ) aan te moedigen, te luisteren naar Kroatische liederen als 'Mijn zilver Bosnië' en 'Vaarwel treurnis' en het stadje te bekijken waar ze ooit woonden maar na de oorlog uit werden verdreven.

Voor de oorlog was ongeveer 35 procent van de bevolking van Bugojno Kroatisch. Nu wonen er op 40.000 inwoners nog 1.200 Kroaten. De verkiezingen in Bosnië op 14 september dienen voor de gevluchte Bosnische Kroaten die naar de sporthal zijn gekomen maar één doel: hun terugkeer. Ze dansen voor het podium en zingen vanaf de tribunes mee met hun nationale muziekhelden die ook naar Bugojno zijn gekomen: Jura Stublic uit Zagreb en Ivanka Huletic uit Split. Jongens en meisjes rennen door de hal met grote Kroatische rood-wit-blauwe vlaggen.

Een oorverdovend gejuich stijgt op als de Kroatische kandidaat voor het driekoppige (één moslim, één Kroaat, één Serviër) presidentschap van Bosnië, Kresimir Zubak, het podium opkomt. “Niemand kan de Kroaten vertellen dat zij het recht niet hebben in Bugojno te leven. De Kroaten zullen hier terugkomen met hun vlaggen, hun waardigheid en met hun nationale liederen op hun lippen.” Door het gejuich heen roept Zubak: “Wij hebben gevochten voor Bosnië, voor een plaats waar iedereen zijn eigen taal kan spreken en zijn eigen liederen kan zingen. Dat is geen nationalisme, dat is democratie. Iedere nationaliteit heeft het recht zich te uiten en voor zijn eigen belangen op te komen.”

Mizinko Juricic (60) was vroeger hoofd van het gymnasium in Bugojno maar woont tegenwoordig in Livno, ten zuidwesten van Bugojno, vlakbij Kroatië. “Ik heb een aanvraag gedaan om hier terug te keren. Maar het lukt niet”, zegt hij nadat hij met zijn meegebrachte camera een paar foto's heeft gemaakt van presidentskandidaat Zubak. Juricic heeft vandaag het huis bezocht waar hij vroeger woonde. Er wonen nu moslims uit het nabijgelegen dorp Prusac. “Ze wilden mij niet binnenlaten.” Juricic vertelt dat hij in juli 1993 in een gevangenkamp terechtkwam van de moslims bij Bugojno. “Ik zat niet in de politiek, niet bij de politie, niet eens in het leger. Ze arresteerden mij zonder reden. Ze hebben mij geslagen, ik heb dagenlang met 300 man in een kleine ruimte in het donker op de grond moeten liggen. Mijn broer is ook gearresteerd, hij is nog altijd spoorloos.” Toch gelooft Juricic dat moslims en Kroaten in Bugojno weer kunnen samenleven. “Voor de oorlog waren de kinderen op mijn school voor mij allemaal gelijk. Dat zal nu weer zo zijn.” Juricic wil terugkeren naar Bugojno, daarom stemt hij op de HDZ, de partij die de Bosnische Kroaten door de oorlog leidde. “Ik hoop dat zij mij kunnen helpen.”

Buiten houden IFOR-soldaten en de plaatselijke politie een honderdtal moslims op afstand die zich in de buurt van de sporthal hebben verzameld. Sommigen zwaaien met vlaggen van de SDA, de regerende moslimpartij. Avdo Duliman (40), een brede donkere man met lichte geelbruine ogen, kijkt stuurs naar de ingang van de sporthal. “Afschuwelijk” vindt hij het dat de Kroatische HDZ hier campagne voert. “Al het mogelijke hebben de Kroaten mij aangedaan.” Na in 1992 en 1993 samen met de Kroaten te hebben gevochten tegen de Serviërs, werd hij - toen de moslims en de Kroaten onderling slaags raakten - in 1993 door de Kroaten gearresteerd en gevangen gehouden in een kamp. “Ze hebben me mijn eigen urine laten drinken. Ze hebben mij geslagen, mijn ribben gebroken.” Hij zou wel willen geloven dat moslims en Kroaten samen kunnen leven maar de praktijk is dat het niet lukt, zegt hij. “Ze komen nog regelmatig naar mijn huis om mij bang te maken.”

De politie drijft de groeiende moslim-menigte - vooral jongens van rond de 20 - steeds verder terug het stadje in. Als in de verte een kleine dikke man komt aangelopen, klinkt er plotseling gejuich. Het is Faruk Aganovic, tijdens de oorlog commandant van de 307ste brigade van de moslims bij Bugojno. De jongens verzamelen zich om hem heen, proberen hem aan te raken. Als hij weer vertrekt, lopen ze met hem mee terug de stad in. “Ik begon een beetje bezorgd te raken over de situatie hier”, zegt de Amerikaanse IFOR-commandant majoor Johnny Schute die met een vijftal soldaten en een tank de straat heeft afgesloten die naar de sporthal leidt, “Dus heb ik commandant Aganovic gevraagd om zijn mensen op te halen.”

Terwijl de HDZ-aanhangers na afloop van de bijeenkomst naar de gereedstaande bussen lopen, frist presidentskandidaat Zubak zich beneden in een kleedkamer nog even op voor hij in de klaarstaande glimmende Audi weer terug zal worden gereden naar Mostar, ten zuiden van Bugojno. Zubak is tot dusver zeer tevreden over het verloop van zijn campagne, zegt hij. Zijn optreden in Bugojno was een “symbolische boodschap voor de Kroaten die hier hebben gewoond dat het niet waar is dat wij niet aan hen denken of hen alleen laten.” Maar op hetzelfde moment, zegt hij, “is het een boodschap voor de moslims dat Bugojno een stad is waar vroeger Kroaten leefden en dat de stad zonder hen niet hetzelfde is.” Hij denkt dat de federale instituties van moslims en Kroaten na de verkiezingen goed zullen functioneren. De Kroaten, zo verzekert hij, zullen het vredesverdrag van Dayton respecteren. En het illegale Bosnisch-Kroatische staatje Herceg-Bosna in het zuidoosten van Bosnië dan, dat de Kroaten weigeren op te geven? Zubak: “Door Dayton te ondertekenen hebben we Herceg-Bosna opgegeven als staat, maar niet als nationale gemeenschap.”