Van Zijl: diep door het stof voor Kok of VVD

DEN HAAG, 4 SEPT. Zo snel als de storm rond het sociaal-democratisch Kamerlid Van Zijl was opgestoken, ging deze gistermiddag ook weer liggen.

Van Zijl, voorzitter van de onderzoekscommissie die de crisis bij het College van Toezicht Sociale Verzekeringen onderzocht, nuanceerde maandagavond in het tv-programma Nova twee relevante passages in het eindrapport van de commissie, dat de val inluidde van de VVD-staatssecretaris Linschoten (Sociale Zaken). Hiermee laadde Van Zijl niet alleen de toorn van de gesneefde bewindsman op zich, maar ook van de gehele Tweede Kamer. Die had eerder immers de conclusies van het eindrapport ondersteund. Zij het dat de VVD-fractie vraagtekens zette bij de beweerde “vooringenomenheid” van de vragen die de leden van de commissie gesteld had.

Van Zijl reageerde gisteren razendsnel door zijn commissie bijeen te roepen en per ommegaande zijn uitlatingen te herroepen en te betreuren. “Over en sluiten”, concludeerde CDA-fractievoorzitter Heerma vervolgens en met hem de andere fracties in de Tweede Kamer. Van Zijl constateerde tot slot dat hij “een beetje beschadigd” is.

Hoewel de politieke turbulentie kortstondig was, blijft een aantal vragen over het optreden van Van Zijl hangen. De belangrijkste zijn: waarom nuanceerde hij zijn eerdere scherpe oordelen? Waarom nu? Maar ook: hoe kan het dat het redelijk ervaren Kamerlid niet voorzag welke gevolgen zijn uitspraken zouden hebben?

Zelf zei Van Zijl gisteravond tegen de verslaggever van het radioprogramma Met het oog op morgen dat hij niet vond dat hij “ontzettend stom” was geweest. In zijn verklaring aan de Kamer schreef Van Zijl gistermiddag dat hij een eind wilde maken aan de “doorgaande semantische discussie rond de vraag of een gang van zaken geloofwaardig kan zijn”. Tijdens het debat over de politieke consequenties van het eindrapport kort voor het zomerreces was Van Zijl door diverse woordvoerders gevraagd waarom er niet stond dat de staatssecretaris zelf “ongeloofwaardig” was geworden. Van Zijl antwoordde toen al dat “de kwalificatie ongeloofwaardig niet slaat op het (...) ongeloofwaardig zijn van de staatssecretaris”.

Het opmerkelijk is echter dat van een doorgaande semantische discussie over de conclusies van het eindrapport helemaal geen sprake is geweest de afgelopen weken. De Kamer was met reces. Kennelijk werd die “semantische discussie” dus binnenskamers gevoerd.

Bekend is dat premier Kok na de val van Linschoten op zijn minst niet ingenomen was met het optreden van zijn partijgenoot Van Zijl. Tijdens een persconferentie oordeelde Kok dat de commissie allerlei zaken had “uitvergroot”. Van Zijl zelf zei tijdens een uitzending van het tv-programma Buitenhof op 30 juni dat hij inmiddels een gesprek had gehad met Kok, waarin zij “zaken gewisseld” hadden. Wilde Van Zijl wellicht ten gerieve van zijn partijleider zijn eerdere harde kwalificaties verzachten?

Een andere mogelijkheid is dat de liberale coalitiepartner wrok koestert over de weinig zachtzinnige behandeling van een 'eigen' bewindsman. Dan zou de “semantische discussie” zich, ook weer intern, afspelen tussen de beide grote regeringspartijen. En dan zou de uitspraak van Van Zijl een gevolg zijn van een eis van VVD-zijde dat de commissievoorzitter zelf maar eens “diep door het stof” moest. Net zoals Wallage voorafgaand aan het Kamerdebat vroeg aan Linschoten.

De laatste mogelijkheid: Van Zijl was inderdaad zo naïef om te denken dat zijn tv-optreden onduidelijkheden zou wegnemen. Maar een politicus die zó naïef is, is meer dan “een beetje” beschadigd.