Nusse Brink verdient objectief onderzoek

Drie jaar na het grootste debacle bij een makelaar op de Amsterdamse effectenbeurs sinds de ondergang van de bank Texeira de Mattos (1966) komt er alsnog een diepgaand onderzoek. De Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE), die namens de overheid de gang van zaken op de effectenbeurs moet controleren en onder meer vergunning verleent aan de beurshandel, start een onderzoek naar het toezicht van de beurs op effectenmakelaar Nusse Brink, die in de zomer van 1993 op de fles ging.

Binnenkort bespreekt minister Zalm van Financiën het onderzoek met de vaste Tweede-Kamercommissie van Financiën.

Nusse Brink was een waaghalzenkantoor, dat graag op koersdalingen op de beurs speculeerde, (naar later bleek) ook enkele dubieuze klanten had, vervolgens onder verdenking van witwaspraktijken kwam te staan en ondanks twee jaar intensief toezicht bankroet ging. De directeuren, tegen wie nog een strafzaak loopt, werden door de interne tuchtrechtcommissie van de effectenbeurs voor het leven uitgesloten. Genoeg aanleiding dus voor het onderzoek.

Toch is het onderzoek pas vorige maand aangekondigd. Helemaal van harte lijkt het niet te gaan. De directe aanleiding was een brief van advocaat mr. J. Hoff, die een rechtszaak tegen de beurs voert wegens nalatig toezicht op Nusse Brink en een schadevergoeding eist. De STE zei verschillende documenten in de brief, die afkomstig zijn uit het beursdossier Nusse Brink, niet te kennen. Na overleg met Zalm besloot de STE tot het onderzoek om voor eens en voor altijd de twijfels over de kwaliteit van het beurstoezicht uit de wereld te helpen.

Dat het onderzoek wordt gehouden is uitstekend. Op die manier kunnen uit debacles immers lessen worden getrokken. Zo heeft ook het onderzoek vorig jaar naar de ondergang van verzekeraar Vie d'Or (1993) zinvol materiaal opgeleverd over de controle door de Verzekeringskamer.

Maar dat het onderzoek naar Nusse Brink wordt verricht door de STE, is niet zinvol. De STE heeft drie jaar de tijd gehad om een onderzoek te doen, maar zag daarvoor kennelijk geen of onvoldoende aanleiding. Het is de vraag of de STE daarmee niet al te veel tegen de beurs is aangevleid om nog objectief naar het dossier te kijken en het handelen van de verschillende beursfunctionarissen te beoordelen. Het toezicht op de beurspartijen heeft mede door de verenigingsstructuur van de effectenbeurs een januskop: het wil zowel de andere beurspartijen als de beleggers die gebruik maken van de diensten van de effectenkantoren beschermen.

De STE heeft het dossier onnodig lang laten liggen. De STE werkt tevens nauw samen met een deel van de mensen die zij moet onderzoeken in de eerste fase van opsporingsacties naar effectenhandel met misbruik van voorkennis. Tenslotte is voorzitter F. Loudon van de STE (sinds 1 juli) in een vorige functie ook lid geweest van het bestuur van de beurs en daarmee mede verantwoordelijk voor het beleid dat de beurs inzake de controle op Nusse Brink heeft gevoerd. Als STE-voorzitter moet hij nu onderzoek doen naar beleid dat hij als beursbestuurder mede heeft gefiatteerd. Dat de STE bij het onderzoek ook een onafhankelijke externe accountant in de arm neemt, doet aan deze samenloop van functies en omstandigheden niet af.

Het verdient aanbeveling dat minister Zalm, de politieke broodheer van de STE, de zaak nog eens overweegt. Het zou beter zijn als de accountantsdienst van De Nederlandsche Bank, die ook banken en daarmee vergelijkbare beursbedrijven controleert, het onderzoek uitvoert.