Nescio's Verzameld Werk op de Vecht uitgereikt

Tijdens een boottochtje over de Vecht is gisteren het eerste exemplaar van Nescio's Verzameld Werk uitgereikt aan de dochters van de in 1961 overleden schrijver. “Pappie had een moeilijk leven, maar door te kijken wist hij hoe hij zich van alles los kon maken.”

BREUKELEN, 4 SEPT. Ze waren uiteindelijk toch allemaal gekomen, de kinderen en kleinkinderen van de schrijver Nescio, voorzover ze tenminste nog in leven zijn. Moet het echt? hadden ze aan kleindochter Atie Blok-Boas, de voorzitter van het ervenberaad gevraagd toen ze hoorden dat er een boottochtje over de Vecht was georganiseerd om de verschijning van het Verzameld Werk te vieren. Ja, het moet, had Atie gezegd - en achteraf had niemand spijt. De twee dochters Miep (86) en Nellie (88) niet, die de hele tocht vrolijk op het achterdek herinneringen aan 'pappie' bleven ophalen. En ook de kleinkinderen met hun aanhang amuseerden zich opperbest. Samen met het personeel van de uitgeverijen Van Oorschot en Nijgh & Van Ditmar, de drukkers, de binders en de bezorgers voeren ze met een kalme gang door het landschap dat Nescio, pseudoniem van J.H.F. Grönloh, als 'zijn gebied' beschouwde. Tientallen keren moet hij hier voor en na de oorlog gewandeld hebben.

Als hij er gisteren zelf bij was geweest, zo vertelde zijn dochter, had hij iedereen waarschijnlijk gevraagd zijn mond te houden, omdat hij wilde kijken. Want net als de uitvreter uit de gelijknamige novelle deed de schrijver niets liever dan dat: “Kijken, kijken, kijken, zo zou hij hier gezeten hebben. Hij moest altijd even iets wegslikken om van binnen van J.H.F. Grönloh Nescio te maken.”

Voor bezorgster Lieneke Frerichs is met de verschijning van het verzameld werk deze week een lange periode van lezen en selecteren afgesloten. Achttien jaar geleden begon ze voor het Letterkundig Museum in Den Haag aan een eerste inventarisatie van de la met ongepubliceerd materiaal die Nescio na zijn dood in 1961 had nagelaten. Wat iedereen natuurlijk gehoopt had, dat ze nog een verhaal zou vinden van het niveau van 'De uitvreter' en 'Titaantjes', kwam niet uit. Maar, zo vertelt ze, ze kreeg wel enig inzicht in de manier waarop het bekende werk tot stand is gekomen. Uit de honderden handgeschreven velletjes bleek dat er van 'De uitvreter' verschillende voorstadia zijn geweest waarin de schrijver kennelijk is vastgelopen. Er waren gedeelten die Nescio geschikt voor publicatie had bevonden maar die hij op verzoek van de toenmalige Gids-redactie had geschrapt, en er waren diverse varianten.

Frerichs vermoedt dat Nescio alles steeds bewaard heeft door de emotionele binding met de tijd waarin zijn werk tot stand is gekomen. “Hij moet erg aan die papiertjes gehecht zijn geweest.” Nadat ze in 1990 op de ontstaansgeschiedenis van het verhaal 'De uitvreter' was gepromoveerd, begon ze samen met de neerlandici Enno Endt en A.L. Sötemann aan een selectie van teksten die in een verzameld werk konden worden opgenomen. Het publiek waar ze zich op richtten waren de geïnteresseerde lezers die het leuk zouden vinden meer over de 'Titaantjes' en 'Japi' te lezen, zonder terug te schrikken voor onvoltooide verhalen. “Nescio is gelukkig een schrijver geworden van wie men het niet erg vindt als een verhaal niet af is.”

Aan de hand van het Verzameld Werk is goed na te gaan hoe Nescio heeft gezocht naar een manier om zijn verhalen te vertellen. “Je kunt zien hoe hij vaak de constructie kiest van twee mensen die met elkaar praten. Daar mag je uit afleiden dat het een fictieve constructie is, die hij nodig heeft om een verhaal op gang te laten komen. Bij het schrijven kan hij zich dus in twee figuren splitsen. Veel mensen zijn geneigd om alles wat Nescio schreef autobiografisch te duiden, maar dat is onjuist.”

Hoewel de familie bij de selectie van het materiaal een veto-recht had, is daar volgens de bezorgster nauwelijks gebruik gemaakt. Er is wel eens onenigheid geweest, maar uiteindelijk kregen de bezorgers bijna altijd hun zin. De enkele keer dat iets niet in het boek kwam was dat volgens Frerichs omdat het 'te onnozel' was, 'tekstjes waar wij zelf ook al over twijfelden.' Het enige waar de familie principieel in was waren de brieven. Uit de brieven die bewaard zijn gebleven is alleen geciteerd voorzover ze het literaire werk verduidelijken en aanvullen. Het voorstel om ook nog een brievenuitgave te maken werd afgewezen. “Voorlopig vonden de erven het wel weer genoeg.”

Het Verzameld Werk begint met de verhalen zoals ze destijds gepubliceerd en klassiek geworden zijn. Lieneke Frerichs vindt deze versies ook nog altijd de beste en ze vermoedt dat Nescio zelf ze ook de beste heeft gevonden. “Toen De Gids vroeg 'De uitvreter' te bekorten was hij een beginnend schrijver. Het oorspronkelijk door hem ingestuurde manuscript was inderdaad nogal lang en het had niet zo'n duidelijke hoofdstukstructuur als het nu heeft.”

Het 'natuurdagboek' dat Nescio van 1946 tot 1955 bijhield, een nauwkeurig verslag van zijn tochtjes door Nederland, is na lange discussies integraal in een niet los verkrijgbaar, afzonderlijk deel van het Verzameld Werk ondergebracht. De erven hopen met het opnemen van deze tekst te bereiken dat er lezers zijn die Nescio's tochtjes met het boek in de hand zullen nalopen en nafietsen. Eigenlijk, zegt kleindochter Schoontje Boas, had zij het liefst een goedkope en handzame editie van de tekst laten maken met kaartjes en routebeschrijvingen. Maar dat wilden de verzamelde uitgevers niet. Waarschijnlijk waren ze bang dat dit ten koste van de veel duurdere dundrukeditie ging.

Als de boot boven Breukelen gekeerd is vertelt dochter Miep hoe haar vader zich aan het eind van zijn leven vreselijk kwaad kon maken over de teloorgang van de stad en het landschap zoals hij zich dat van vroeger herinnerde. Hij moet daarover, zegt ze, vele brieven naar het Algemeen Handelsblad hebben geschreven, die nooit werden geplaatst.

“Pappie was een onmogelijke man”, aldus Miep Boas.

Nellie: “Ik dacht dat we niet uit de school mochten klappen.”

Miep: “Maar hij heeft ons het besef van geluk gegeven. Altijd moest je van hem blijven staan. Altijd moest je kijken. Ik heb daar later veel geluk door gekend. Hij had een moeilijk leven, maar door te kijken wist hij hoe hij zich van alles los kon maken.”

Even later zegt ze: “Het was mijn moeder die hem aan de gang heeft gehouden. Als hij weer een inzinking had was zij het die hem er boven op hielp.”

Nellie: “Ze had het tegenover ons altijd over pappie's boekje.”

Miep: “Ik heb het een keer zonder iets te zeggen van de schoolbibliotheek geleend en toen aan de juffrouw, juffrouw Van Gent, gevraagd wat zij ervan vond. Juffrouw Van Gent vond het nogal grof.

“Toen ik dat aan mijn vader vertelde, had hij daar wel plezier van.”