Kindermishandeling is meer dan alleen een zaak van de dader

De zaak-Dutroux in België wekt alom afschuw. Terecht, vindt Barend Samsom. Maar niet terecht is, dat de oplossing van dit soort affaires vooral wordt gezocht in individuele repressie van de plegers. Onvoldoende wordt beseft dat kindermishandeling ook een ernstig maatschappelijk verschijnsel is.

Alleen al de omvang van het verschijnsel rechtvaardigt de stelling dat kindermishandeling en -misbruik een intensieve en brede maatschappelijke aanpak vergen. In 1995 ontvingen de twaalf Buro's Vertrouwensartsen in Nederland meer dan 14.000 meldingen van (vermoedens van) kindermishandeling. Bij de Raden voor de Kinderbescherming en de politie zullen in dat jaar naar schatting meer dan 7.000 gevallen bekend zijn geworden. Dat betekent dat er bij deze instanties gezamenlijk ruim 20.000 keer bedreigende situaties rond één of meerdere kinderen zijn gemeld.

En dit is dan nog maar het spreekwoordelijke topje van de ijsberg, want kindermishandeling is typisch zo'n verschijnsel dat in de 'geborgenheid' van het gezin of van hechte netwerken plaatsvindt. Wetenschappers schatten dat er jaarlijks meer dan 50.000 kinderen in Nederland bloot staan aan lichamelijke mishandeling, seksueel misbruik en lichamelijke of psychische verwaarlozing.

Tegen deze achtergrond is het opmerkelijk dat zeer velen, en niet in de laatste plaats politici en bestuurders, kindermishandeling vooral zien als een individueel probleem: een persoonlijk tekortkomen van ouders/verzorgers, een uit-de-hand-gelopen gezinssituatie of gedrag van enkele perverse individuen. Deze zienswijze mag dan in deze tijd van indiviualisering van de samenleving begrijpelijk zijn, zij ontkent tegelijkertijd dat het wel degelijk om een structureel en maatschappelijk probleem gaat.

Het is evident dat mishandeling aanzienlijke schade aan en in het kind veroorzaakt. Nog afgezien van de lichamelijke schade waarmee mishandeling gepaard kan gaan, is de psychische schade meestal enorm, venijnig, zeer langdurig voelbaar en niet zelden onherstelbaar. Er is sprake van een dilemma voor het kind: hij of zij is afhankelijk van zijn ouders en kan het gedrag van de ouders, dat letterlijk en figuurlijk pijn doet, niet begrijpen.

Meestal meent het kind dat het zelf de schuld is van dat gedrag. Kinderen hebben - zeker zolang zij jonger zijn dan twaalf à veertien jaar - niet het alternatief om dan maar weg te lopen (waar zouden ze naartoe moeten?), als ze dat al zouden willen. Daar komt nog eens bij dat mishandelende en misbruikende ouders het dilemma voor het kind vergroten door geheimhouding van het kind af te dwingen ('als je het aan anderen vertelt, sla ik je helemaal in elkaar' of 'als je erover praat, moet pappa naar de gevangenis'). Ook als de mishandeling of het misbruik niet door de eigen ouders/verzorgers wordt gepleegd, heeft het kind niet zelden de neiging de schuld voor het gebeurde bij zichzelf te zoeken, zichzelf ervoor te schamen en er niet met anderen over te praten.

Het dilemma waarin het kind terechtkomt leidt ertoe dat de psychische gevolgen voor degene die de mishandeling of het misbruik heeft ondergaan op de langere termijn alleen maar groter worden. Talloze onderzoeken laten dat zien. Het mag duidelijk zijn dat de (late) maatschappelijke schade als gevolg van mishandeling, ook in termen van kosten van hulpverlening, enorm is.

Maar we doen in Nederland toch nogal wat aan de aanpak van kindermishandeling, is een vaak gehoorde vraag. Het antwoord is: ja en nee. Ja, want in Nederland worden twaalf Buro's Vertrouwensartsen gesubsidieerd tot een bedrag van 10 miljoen gulden per jaar, terwijl een deel van het (vele malen grotere) budget van de Raden voor de Kinderbescherming eveneens wordt ingezet bij de aanpak van kindermishandeling. En er wordt voor nauwelijks te schatten bedragen hulp verstrekt aan slachtoffers van kindermishandeling en -misbruik.

Toch kunnen we niet trots zijn over de aanpak van kindermishandeling. De Buro's Vertrouwensartsen moeten het al jaren doen met een nagenoeg gelijkblijvend budget, terwijl het aantal meldingen in minder dan tien jaar tijd verdubbeld is. In de afgelopen jaren is menige afdeling jeugd- en zedenzaken bij de politie ontmanteld, terwijl de opsporing van plegers van misbruik en mishandeling geen prioriteit had. Bovendien: aan het voorkòmen van kindermishandeling wordt in Nederland slechts mondjesmaat aandacht (en dus geld) besteed.

Kortom: in Nederland wordt wel geld besteed aan de gevolgen van mishandeling en misbruik, maar slechts in beperkte mate aandacht geschonken aan vroegtijdige onderkenning en nog minder aan voorkòmen ervan. Dat is mede een gevolg van het feit - het werd al gezegd - dat kindermishandeling vooral als een individueel tekortschieten van ouders, als een gezinsprobleem of als een normoverschrijding door perverse individuen en niet als een maatschappelijk kwaad wordt gedefinieerd.

Een betekenisvolle illustratie van die stelling vormt het beleid dat de laatste drie jaar door de landelijke overheid wordt gevoerd ten aanzien van de Buro's Vertrouwensartsen, respectievelijk de meldpunten kindermishandeling. In dat beleid is er vooral aandacht voor de werkwijze en de bevoegdheden van de Buro's Vertrouwensartsen: wordt de Wet op de Persoonsregistratie gevolgd en worden ouders wel snel genoeg op de hoogte gesteld van een melding? Met andere woorden: de benadering van het probleem is individualistisch en gericht op de rechten van ouders, niet of minder op die van het bedreigde kind.

Het wordt tijd dat politici en bestuurders het probleem ook van de andere kant, namelijk de maatschappelijke benaderen. Dat zou onder andere kunnen door nadrukkelijk stil te staan bij het gegeven van veel opvoedkundig onvermogen, waaronder opvoedkundige 'afwezigheid' (in de figuurlijke betekenis) van ouders, maar vooral door, meer dan nu het geval is, uit te gaan van de rechten van het kind op een evenwichtige en veilige groei naar volwassenheid.

Natuurlijk, dat is een lastige opgave. En bovendien: kinderen zijn niet stemgerechtigd en nemen evenmin deel aan het politieke en bestuurlijke debat, dus is het makkelijk hun probleem buiten de deur te houden of niet te onderkennen. De samenleving is het echter wel aan zichzelf en haar toekomst verplicht om voor kinderen op te komen, als de ouders dat niet (meer) kunnen of dat aantoonbaar niet goed doen.

Misschien lukt een vernieuwende, maatschappelijke aanpak pas echt als er politieke partijen zijn die de bestrijding van kindermishandeling en misbruik als prioriteit in het partijprogramma opnemen. Maar of politieke partijen in Nederland dat aandurven, is vooralsnog een intrigerende vraag.