Japan is meer dan 'goedkoop kapitalisme'

Na het eind van de koude oorlog is het Japanse model het enige dat duidelijk afwijkt van zowel de Angelsaksische als de Rijnlandse variant van het westerse kapitalisme. Maar onder invloed van Amerikaanse druk om de markt open te stellen en de globalisering zal ook Japan zich moeten aanpassen. De Japanse auteur Sakakibara verzet zich tegen omvorming in een 'goedkope kapitalistische maatschappij'. “Dit is een gigantische opgave.”

De Oost-West tegenstelling ten tijde van de Koude Oorlog had niet alleen betrekking op de verschillen tussen de politieke stelsels, het communistisch systeem met zijn één-partij-stelsel enerzijds en de Westelijke democratieën anderzijds, maar ook op de verschillen in economische stelsels, met aan de ene kant het centrale plansysteem, ook wel de commando-economie genoemd, en aan de andere kant het kapitalisme, oftewel de markteconomie. Wegens de talloze correcties van overheidswege die in de loop der jaren op de uitkomst van ongebreidelde marktkrachten waren aangebracht, werd dit laatste stelsel ook wel aangeduid als de gemengde economie of de sociale markteconomie.

Met de ineenstorting van het communisme verviel ook het centrale plansysteem als levensvatbaar alternatief voor de markteconomie. Door auteurs als Francis Fukuyama (1) werd deze omwenteling gezien als de uiteindelijke zege van een liberale orde op een van bovenaf geplande orde. Maar daarmee was de kous niet af. Immers, tegelijkertijd werd men zich er duidelijker van bewust dat er in het Westen niet één maar meer marktmodellen bestonden, die onderling belangrijke verschillen vertoonden. In zijn boek, 'Capitalisme contre Capitalisme', analyseerde de Franse auteur Michel Albert vooral de verschillen tussen het Angelsaksische kapitalisme enerzijds en dat wat hij het Rijnlandmodel noemt anderzijds (2).

Volgens Albert is het Angelsaksische model gebaseerd op individueel succes, gericht op het snelle geldverdienen op de beurs ten koste van financiële solidariteit en groei op lange termijn. In dit model wordt de onderneming als koopwaar beschouwd die eigendom is van de aandeelhouders, steekt men zich liever in de schulden dan dat men spaart, geeft men voor de financiering van ondernemingen de voorkeur aan de beurs boven de bank, verwaarloost men de sociale zekerheid en staat men kritisch tegenover de herverdeling van inkomen.

In het Rijnlandmodel wordt daarentegen grote waarde gehecht aan collectief succes, maatschappelijk consensus en de zorg voor lange termijn. In dit model wordt de onderneming als een samenwerkingsverband beschouwd, staat men positief tegenover sparen, speelt de beurs een minder uitgesproken rol, hecht men waarde aan sociale vernieuwingen en beperkt men overmatige inkomensverschillen.

Het eerste model, dat mede het resultaat is van de Reagan/Thatcher-revolutie, komt voor in de Verenigde Staten en tot op zekere hoogte ook in het Verenigd Koninkrijk, met dit belangrijke verschil dat het Verenigd Koninkrijk een algemeen sociaal verzekeringsstelsel kent en de Verenigde Staten niet. Het tweede model komt voor in Zwitserland, Duitsland, Luxemburg, België, Nederland en de Noordelijke landen.

Min of meer terloops stelde Albert vast dat het Japanse model meer overeenkomst vertoonde met het Europese dan met het Amerikaanse, maar erg diep ging hij hier niet op in. Dat gebeurt wèl in het boek van Eisuke Sakakibara: 'Beyond Capitalism. The Japanese Model of Market Economics' (3). Hoewel dit boek reeds geruime tijd geleden in het Engels verschenen is, heeft het - bij mijn weten - in Europa geen aandacht gekregen. Ten onrechte, want het biedt een zeer waardevol inzicht in het functioneren van het Japanse marktmodel. Bovendien stelt het vraagstuk van de comptabiliteit van het Japanse model met de Amerikaanse en Europese modellen aan de orde. In het bijzonder gaat het hierbij om de vraag hoe, in het licht van de toenemende globalisering van de economie, fricties kunnen worden vermeden tussen de verschillende varianten van het kapitalisme. Deze fricties - die in het economenjargon 'systeemfricties' worden genoemd - manifesteren zich niet zo zeer in de relaties tussen het Angelsaksische en het Rijnlandmodel, maar vooral in hun beider relaties met het meer gesloten Japanse model.

Deze geslotenheid komt onder meer tot uiting in de permanente overschotten op de lopende rekening van de Japanse betalingsbalans; in 1995 $ 112 miljard. Voorts komt deze tot uitdrukking in de enorme kloof tussen de directe investeringen van Japan in het buitenland enerzijds en de buitenlandse investeringen in Japan zelf anderzijds. Zo bedroeg volgens de UNCTAD de totale waarde van de Japanse directe investeringen in het buitenland in 1994 $ 278 miljard. Een ander element van geslotenheid van de Japanse samenleving vormt het aandeel vreemdelingen in de bevolking. In het midden van de jaren tachtig bedroeg dit minder dan 1 procent. Dit is uitzonderlijk laag indien men het bijvoorbeeld vergelijkt met de overeenkomstige cijfers van niet alleen het andere uiterste, Zwitserland met 14,6 procent, maar ook met landen als België (9 procent), het voormalige West-Duitsland (7,2 procent) en Frankrijk (6,8 procent).

De onevenwichtigheden op economische gebied hebben aanleiding gegeven tot de beschuldiging van oneerlijke concurrentie en het verwijt dat Japan profiteert van een liberale wereldorde, zonder een evenredig aandeel in de lasten daarvan te dragen. Dit is ook een van de belangrijkste oorzaken van de roep om een level playing field. Voorheen werd de Japanse free rider door de Amerikanen met de mantel der liefde bedekt wegens het dominante belang dat zij hechtten aan Japans politieke steun om in Azië weerstand te kunnen bieden tegen het communisme. Maar nu de Koude Oorlog is afgelopen, is deze overweging niet meer relevant en oefent de VS op tal van terreinen krachtige druk uit op Japan om tot meer evenwichtige economische relaties te komen. Een belangrijk element daarvan vormen de Amerikaanse-Japanse onderhandelingen in het kader van het 'Structural Impediments Initiative' (SII), waarbij de Amerikanen toegang tot de Japanse markt trachten te forceren. Deze onderhandelingen hebben onder meer betrekking op openbare aanbestedingen voor publieke werken, halfgeleiders, verzekeringen, supercomputers, en fotografisch papier en filmmateriaal.

Na afloop van periodieke besprekingen met Japanse onderhandelingspartners verklaren hoge Amerikaanse regeringsfunctionarissen keer op keer met professioneel optimisme dat er vooruitgang wordt geboekt, maar als men dóórvraagt bij de ambtenaren die bij de voorbereiding van deze besprekingen betrokken zijn, mompelen deze iets over 'smoke in mirrors', uiteraard met het verzoek om bronbescherming. Toch nemen de overschotten op de lopende rekening van de Japanse betalingsbalans gedurende de laatste twee jaar af, vooral dankzij de stijging van de invoer in Japan. In zijn zeer lezenswaardige inleiding tot Sakakibara's boek gaat Clyde V. Prestowitz, Jr. in op de - voornamelijk in de VS gevoerde - discussie tussen de zogenoemde 'traditionalisten' en de 'revisionisten'. De 'traditionalisten' (ook wel als de 'Chrysantemum club' aangeduid) zijn van oordeel dat het Japanse model in wezen van neo-klassieke Westerse snit is, maar het op een aantal terreinen beter doet dan het Westen. Daarbij wijzen zij onder meer op de hoge besparings- en investeringsquote, het hoge arbeidsethos, de gedisciplineerde en goed getrainde werknemers en de energieke en competente managers.

Volgens de 'revisionisten' (ook wel als de 'Japan bashers' aangeduid, waartoe ook onze landgenoot Karel van Wolferen (4) behoort) daarentegen werkt de Japanse economie fundamenteel anders dan de Westerse markteconomieën. De Japanse economie is bijvoorbeeld niet primair gericht op de maximalisatie van de welvaart van de consument, maar op de opvoering van de produktie als middel om permanente economische groei te bereiken. Dit komt onder meer in de belasting tot uitdrukking, in die zin dat de consumptie zwaar wordt belast en de produktie slechts licht. Bovendien kent Japan een intensieve overheidsbemoeienis met de bevordering van strategische industrieën, dat wil zeggen de kapitaalintensieve, high-tech industrie met hoge toegevoegde waarde. Dit beleid is mede gericht op het verwerven van een sterke positie op buitenlandse markten.

Een andere eigenaardigheid betreft de eigendomsverhoudingen van de grote Japanse ondernemingen. Het grootste deel van de aandelen van Japanse bedrijven is niet in handen van vele kleinere beleggers of financiële instellingen die hun opbrengsten trachten te maximaliseren, maar van aanverwante bedrijven en bevriende financiële instellingen door kruiselingse aandelenparticipaties. Deze vormen collegiale groepen, netwerken, of economisch/financiële alliantie, die keiretsu worden genoemd.

Deze netwerken worden niet slechts door 'kille' verlies- en winstoverwegingen beheerst, maar omvatten ook elementen van saamhorigheid, loyaliteit en emotionele binding. Dit stelt de Japanse ondernemingen in staat om te streven naar maximalisatie van het marktaandeel in plaats van winstmaximalisatie. Het systeem wordt voorts gekenmerkt door nauwe relaties tussen leveranciers en afnemers, door verticale integratie die nagenoeg ondoordringbaar is voor buitenstaanders. Men spreekt in dit verband ook wel van een 'internalisering' van de markt. Het gevolg van een en ander is oligopolistische concurrentie, vooral op de binnenlandse markt, en vaak ook het afzetten van 'overschotten' tegen lage prijzen op buitenlandse markten (5).

De Japanse reactie op deze voornamelijk Amerikaanse discussie tussen 'traditionalisten' en 'revisionisten' was gemengd. Sommige Japanse economen schaarden zich aan de kant van de 'traditionalisten', anderen daarentegen erkenden dat de 'revisionisten' gelijk hadden, en dat het Japanse model wezenlijk anders was dan zijn Westerse tegenhangers. Zo ook Sakakibara. Maar in tegenstelling tot de Westerse 'revisionisten' die vinden dat het Japanse economische model zou dienen te worden hervormd, zodat de eerdergenoemde systeemfricties zouden kunnen worden verminderd, is Sakakibara van oordeel dat het Japanse model zeer succesvol is. Daarmee is het volgens Sakakibara een volwaardig alternatief voor het kapitalisme van Westerse snit en kan het een belangrijke voorbeeldfunctie vervullen voor de toekomstige economische ontwikkeling in regio's als Latijns-Amerika, Zuid-Oost Azië en Afrika. Sakakibara stelt dat het fundamentele beginsel dat aan het Japanse model ten grondslag ligt antropocentrisme is; in het Engels ook wel als peoplism, aangeduid. Dat wil zeggen dat de mens in het middelpunt staat. Binnen de ondernemingen komt dit tot uitdrukking door de soevereiniteit van de werknemer, in tegenstelling tot de soevereniteit van de consument in de Westerse markteconomie. In de landbouw manifesteert zich dit door een accent op de onafhankelijke boer die eigenaar is van de grond die hij bebouwt.

Sakakibara beschrijft uitvoerig hoe met de ontbinding van de zaibatsu (de vooroorlogse, nauw met het Japanse militarisme verbonden industriële conglomeraten) de macht in de grootste Japanse ondernemingen overging van de kapitalistische grondleggers naar de werknemers en andere belanghebbenden. De managers waren niet langer de rentmeesters of zetbazen van de kapitalistische families, maar kregen een bredere - deels ook maatschappelijke - verantwoordelijkheid. Hierbij dienden zij naar een evenwicht te streven tussen de belangen van aandeelhouders, werknemers, zakenpartners, consumenten en plaatselijke belangen. Anders gezegd: de stockholders moesten hun dominante positie afstaan aan de stakeholders. Wegens het feit dat, na de ontbinding van de zaibatsu de rol van de Japanse kapitalistische dynastieën is uitgespeeld, geeft Sakakibara er de voorkeur aan het Japanse model te karakteriseren als een 'niet-kapitalistische markteconomie'.

In de loop der tijd zijn er verschillende etiketten op het Japanse marktmodel geplakt. Een daarvan is 'Japan Incorporated'. Deze metafoor suggereert een monolitisch Japan, waarin de overheid, en in het bijzonder de bureaucratische elite, zoals het ministerie van Financiën en het MITI ('Ministery of International Trade en Industry'), een dominante rol speelt. Volgens Sakakibara is deze metafoor echter misleidend. In werkelijkheid bestaat er een grote rivaliteit zowel tussen de verschillende onderdelen van de bureaucratie, als tussen de overheid enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds. Er is geen sprake van een op een grand design gebaseerd industriebeleid van de overheid. Het is als het ware een gedecentraliseerd, cumulatief proces; een optelsom van voorstellen die van onderop worden geformuleerd. De overheid reageert slechts min of meer passief op voorstellen die uit het bedrijfsleven komen; als een soort loket waar de verzoeken om financiering en andersoortige steun in ontvangst worden genomen. Als zodanig vertoonde het proces sterke overeenkomst met het Amerikaanse pork-barreling. Wèl is het zo dat de partijen voortdurend met elkaar in overleg zijn, hetgeen veelal tot consensus leidt.

Sakakibara gaat voorts uitvoerig in op de grote rol die de Japanse overheid, zowel op centraal als regionaal niveau, speelt in de financiering van publieke werken. Deze is relatief groter dan in andere ontwikkelde landen. Ook gaat hij uitvoerig in op het karakter van de overheidsuitgaven en de ontwikkeling en de structuur van zowel de financiële als de landbouwsector. Daarnaast behandelt hij de interactie tussen het politieke bedrijf en de overheid. De politiek is vaak gesegmenteerd en mist een coherente visie. Parlementariërs zijn vaak niet meer dan makelaars of lobbyisten voor de plaatselijke belangen van hun kieskringen. Hun electoraal succes is veelal direct afhankelijk van hun vermogen om financiering van de centrale overheid te verkrijgen voor de uitvoering van lokale infrastructuurprojecten.

Sakakibara stelt vast dat de globalisering, met zijn liberalisatie van het handelsverkeer, internationalisatie van kapitaalmarkten en deregulering, een groeiend probleem vormt voor het van nature gesloten Japanse economisch model, maar hij is tegenstander van een ontwikkeling in de richting van een zuiverder markteconomie, omdat hij vreest dat deze tevens zal leiden tot grotere inkomensverschillen, de verheerlijking van het geld, de vulgarisatie van de cultuur en corruptie. Hij concludeert: “In plaats van Japan om te vormen tot een goedkope, kapitalistische maatschappij, in naam van deregulering en internationalisering (...) is ingrijpende structurele hervorming vereist om de onpartijdigheid van de publieke sector en de democratische kenmerken van de Japanse ondernemingen te handhaven. Daartoe is het - in het licht van hun fundamentele ideologie (noot: bedoeld is 'antropocentrisme', of een systeem van 'werkelijke gelijkheid en participatie') en het huidige klimaat - noodzakelijk om systemen die worden gedomineerd door gevestigde belangen waarbij het oorspronkelijke doel uit het oog is verloren, te herzien. Maar dit is een gigantische opgave.” De auteur erkent dat traditioneel gaiatsu (druk vanuit het buitenland) hierbij een belangrijke katalyserende rol speelt. Hij stelt in dit verband dat “... de gesprekken in het kader van het 'Structural Impediments Initiative' een ideale gelegenheid bieden om het Japanse systeem te hervormen. Het doel van deze hervorming is echter niet onze samenleving te transformeren in een kapitalistisch regime, maar de handhaving van haar niet-kapitalistische aard onder gelijktijdige internationalisering van haar mechanismen.” Aldus Sakakibara.

Het is moeilijk te doorgronden wat de auteur hiermee precies bedoeld. Maar hoe het ook zij, mijns inziens valt ook voor Japan niet te ontkomen aan de introductie van méér markt en meer consumentensoevereiniteit wil het niet achterop raken bij de Westerse economieën. Vanaf de oliecrisis tot heden (1973 t/m 1996) heeft Japan een relatief hoge jaarlijkse groeivoet gekend van gemiddeld 3,2 procent per jaar, vergeleken met 2,4 procent voor de VS en 2,1 procent voor EG/EU. In de periode 1992 t/m 1996 bedroeg de gemiddelde jaarlijkse groei van Japan slechts 1,5 procent, vergeleken met 2,4 procent voor de VS en 1,6 procent voor Europa.

Ook de snel opgelopen Japanse staatsschuld vormt een teken aan de wand. In 1991 bedroeg deze nog zo'n 60 procent van het BBP, ongeveer hetzelfde niveau als dat van de EU en de VS. In 1996 is de Japanse staatsschuld echter gestegen tot 88,8 procent van het BBP, tegen 78,1 procent voor de EU en 64,1 procent voor de VS. In de niet op de export gerichte sectoren vertoont de Japanse economie zwakke plekken. Zo is de Japanse distributiesector zeer arbeidsintensief en notoir inefficiënt. Dat geldt ook voor de landbouw. Volgens opgave van de OESO bedroeg de jaarlijkse landbouwsteun in Japan per hoofd van de bevolking in 1994 zo'n $ 750, vergeleken met een kleine $ 400 in de Europese Unie en $ 150 in de VS. Mede als gevolg van het uiteenspatten van de 'zeepbeleconomie' zit het Japanse bankwezen met een bedrag van zo'n $ 340 miljard aan dubieuze kredieten opgescheept. Maar ook op micro-niveau, het niveau van de Japanse burger, valt er veel te verbeteren. Japan mag dan statistisch gezien wel een hoog inkomen per hoofd hebben, de Japanse burger profiteert daar toch relatief weinig van. De gemiddelde Japanse werknemer moet langer en harder weken dan zijn Westerse collega's. Hij heeft weinig vakantie en zijn behuizing is in het algemeen duur en krap. Lange reistijden van en naar het werk vormen eerder regel dan uitzondering. Gegeven de aangeduide inefficiëntie in het Japanse model is er zeker ruimte voor een verhoging van de levensstandaard, maar dat zal dan wèl ingrijpende hervormingen vereisen, daarbij inbegrepen het openstellen van de Japanse markt voor goedkoper producerende buitenlandse ondernemingen.

In zijn boek schets Sakakibara voorts een zeer interessant overzicht (een 'genealogie' zoals hij het zelf noemt) van het debat dat onder - voornamelijk marxistisch geïnspireerde - Japanse intellectuelen is gevoerd over de ontwikkeling van het Japanse kapitalisme over de afgelopen honderd jaar. Daarbij beklaagden zij zich vaak over de achterlijkheid van Japan ten opzichte van het Westen en gaven ze blijk van uitzonderlijk pessimisme over de toekomst van de Japanse economie en samenleving. In de jaren zestig waren het vooral buitenlandse journalisten en economen, de 'Japanologen', die in de specificiteit van het Japanse model echter voordelen zagen. Hierbij noemt Sakakibara in het bijzonder Norman Macrae die in 1962 in 'The Economist' de stelling verdedigde dat Japan hoge groei kon bereiken omdat alles wat het deed onorthodox was, en dat het Westen daarvan kon leren. In de jaren zeventig sloot een stoet andere Amerikaanse auteurs zich daarbij aan, waaronder: Eugene Kaplan, Cyril E. Black, Ezra F. Vogel, Peter F. Drucker en James C. Abegglen. Dit maakte een diepe indruk op de Japanse intellectuelen. Zij waren gewend de specifieke kenmerken van het Japanse model te beschouwen in het perspectief van de achterstand op het Westen; een vóórstadium van het Westerse kapitalistische model dat als nastrevenswaardige einddoel voor Japan werd gezien. Maar onder de invloed van het werk van de Westerse 'Japanologen' veranderden hun opvattingen in die zin dat zij de elementen die zij traditioneel als zwakten waren geneigd aan te merken, als sterkten gingen zien.

Niet bekend

(1) Francis Fukuyama. The End of History and the Last Man. Hamish Hamilton Ltd, 1992.

(2) Michel Albert. Capitalisme contre Capitalisme. Editions du Seuil. Paris 1991.

(3) Eisuke Sakakibara. Beyond Capitalism. The Japanese Model of Market Economics. Inleiding door Clyde V. Prestowitz, Jr. University Press of America. Lanham, New York, London, 1993. De oorspronkelijke, Japanse versie van het boek verscheen drie jaar eerder.

(4) Karel van Wolferen. The Enigma of Japanese Power. Mamillan London Limited, 1989. Het is overigens opvallend dat Sakakibara bij de verwijzingen in zijn boek naar het werk van Van Wolferen voor deze een plaats inruimt die evenwaardig is aan die van de door hem aangehaalde gezaghebbende Japanse auteurs.

(5) Voor een zeer indringende analyse, gelardeerd met talloze praktijkvoorbeelden, van de keiretsu kan lezing worden aanbevolen van: Marcel F. van Marion. Liberal Trade and Japan; The Incompatibility Issue in Electronics. Proefschrift, Rijksuniversiteit Groningen, 1992.

    • Hans H.J. Labohm