Een contrareformatie

Wat de 'Zaanse methode' inhoudt, kan ik als leek in het recht en de verhoortechniek niet nauwkeurig beoordelen. Een in de cel opgenomen filmpje met toelichting doet in de verte denken aan beelden uit Amerikaanse films over de Third Degree, en ook aan wat er uit de literatuur over de technieken van de KGB bekend is geworden.

Het vergt nog te veel van de verbeeldingskracht om in Zaandam een dependance van Sing Sing of de Loebjanka-gevangenis te situeren. Intussen heeft de rechter bepaald dat met behulp van de Zaanse methode verkregen inlichtingen niet als bewijs worden beschouwd.

Dat België geschokt is door 'de zaak Dutroux' (die eigenlijk de zaak van de handel in kinderporno is, van alle handelaren, hun klanten en een lakse justitie samen), en dat Nederland in de ontsteltenis en verontwaardiging deelt, ligt voor de hand. Het zou treurig zijn als het niet zo was. Als een christelijk lid van de Tweede Kamer in ernst voorstelt, degenen die worden veroordeeld wegens deze kinderexploitatie, te kunnen straffen met 'chemische castratie', wordt een ander gebied betreden.

De 'Zaanse methode' is gestrand op de rechter en van chemische castratie zal het in Nederland voorlopig niet komen. We kunnen beide opvatten als 'onder de omstandigheden begrijpelijke uitersten': het eerste een grof strijdmiddel tegen de harder wordende criminaliteit, en het andere een remedie die een kwaad bij de dader uitroeit, dat wil zeggen de dader zèlf, niet zijn klanten, niet het 'klimaat' waarin de klandizie is gegroeid. Maar hoe dat ook zij, hoe 'begrijpelijk' het ook mag klinken, zulke radicale methoden en denkbeelden blijven binnen de normen van de Nederlandse omgangsvormen uitzonderingen.

Is dat zo? Zijn het geen extreme tekenen dat ook in Nederland een soort contrareformatie aan de gang is, een reactie op een voorbije tijd die in ons nieuw realistisch perspectief van vandaag als al te verdraagzaam, slap, werkschuw, hedonistisch wordt gezien?

Beschouw de jaren zestig als een vorm van reformatie. Zoals alle bewegingen van die orde heeft ook deze haar wilde toestanden gehad: contestatie en inspraak, radicale democratisering, bezettingen, verdraagzaamheid die kritiek verbood, kabouters in de raad. Wat toen gevaarlijk was hoort nu tot de dierbaarheden van de historie. Zoals het met de uitersten in het algemeen gaat, ze verbranden aan zichzelf. Wat blijft is een hervormd gemiddelde, tot lichaamstemperatuur afgeblust, gekalmeerd en daardoor levensvatbaar. Zo is het toen overal in het Westen gegaan. Nederland is niet het enige land dat door dit stormpje is getroffen. Dat het hier verhoudingsgewijs wat zwaarder heeft huisgehouden, komt doordat we ons hier behalve moderniseren ook bevrijdden uit een nationaal provincialisme. Of dat helemaal gelukt is, blijft de vraag.

Aan de bewegingen van de jaren zestig lag een aantal denkbeelden ten grondslag: een radicale opvatting van de gelijkheid; de overtuiging dat de mens in wezen goed, en dus verbeterbaar, is; dat het slechte werd veroorzaakt door 'de maatschappij' en dat dus op den duur maatschappelijke veranderingen vanzelf tot de gewenste verbeteringen zouden leiden. Dit alles bleek vervolgens minder eenvoudig in elkaar te zitten dan men het zich toen had voorgesteld; en inmiddels veranderde buiten toedoen van de idealisten en de ideologen de maatschappij, ook of vooral door technische, economische en organisatorische oorzaken. De ketters van toen hebben hun energie op andere doelen gericht, en de voorgestelde oplossingen van dertig jaar geleden zijn niet meer van toepassing.

Iedere tijd, vaag begrensd als 'tijdvak', laat zich ook herkennen aan een bepaalde manier van denken, die evenmin scherp te omschrijven valt. Misschien is de tijd die we nu beleven begonnen met het no nonsense van Ruud Lubbers. Verspreidt zich nu, even geleidelijk als toen, een nieuwe reeks van opvattingen, verwachtingen, gedragsregels en normen? Minister Ritzen schaft de gedemocratiseerde bestuursstructuur van de universiteit, ontstaan uit de 'filosofie van de jaren zestig', af. Om die structuur af te dwingen zijn destijds bij wijze van spreken veldslagen gevoerd. Misschien heeft de minister gelijk. Dat is de vraag niet. Hij hoeft zich niet in een leeuwenkuil te wagen; hij wordt geprezen om zijn politieke moed.

De crisis van de universiteit, verklaart de voorzitter van het CNV, A. Westerlaken, in een toespraak voor de universiteit van Nijmegen (bekorte versie afgedrukt in de Volkskrant van 3 september) wordt veroorzaakt doordat de 'afgeleverden' niet berekend zijn op de strijd om het bestaan. Er is behoefte aan employability, die men dankt aan de flexibele peroonlijkheid waarmee men zich aanpast aan de arbeidsmarkt. Natuurlijk, werkloze academici moeten een baan hebben. De argumentatie van Westerlaken raakt de kern van een modern vraagstuk; er valt geen speld tussen te krijgen, en radicaal anders is zijn denken dan wat dertig jaar geleden de toon zette. In Nijmegen propageert hij de nieuwe flexibiliteit, en zijn woorden worden afgedrukt in de Volkskrant; dat zijn tekenen des tijds - van een contrareformatie.

De samenleving is aan het verharden, verhardt zich, zegt men. Ja, dat zien we overal. Actie roept reactie op. Ook dat valt niet tegen te spreken. De groeiende contrareformatie laat zich herkennen aan het radicalisme waarmee men nieuwe grenzen trekt.

Holland annektiert sich selbst. Wie heeft dat gezegd? De meesten die mij hierover hebben geschreven zijn van mening dat het Otto von Bismarck is geweest. Eén lezer die in Duitse archieven grondig gericht onderzoek heeft gedaan, heeft bij Bismarck deze uitspraak niet kunnen vinden. Een andere verwijst naar generaal Helmuth J.L. von Moltke, die in 1906 als chef van de Duitse generale staf het Schlieffenplan heeft herzien. Volgens Schlieffen moest Frankrijk via Nederland en België worden veroverd. Moltke schrapte Nederland, verwijzend naar Bismarck. In de jaren dertig werd Hitler wel eens als de auteur genoemd. Het hoorde toen tot dezelfde orde als het 'Laten ze elkaar maar afslachten', waarmee de Duitse nazi's en de Sovjet-communisten werden bedoeld. Van dit laatste gezegde wordt nooit een auteur genoemd. Allen die mij hebben geschreven: Dank.