Decker opent opera-seizoen met genuanceerde Elektra; Laatste sporen van menselijkheid

Voorstelling: Elektra van R. Strauss door de Nederlandse Opera, Toonkunstkoor Amsterdam en het Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen m.m.v. o.a. Eva-Maria Bundschuh, Anne Gjevang, Inga Nielsen en Jukka Raislainen. Decor en kostuums: Walter Gussmann; regie: Willy Decker. Gezien: 3/9 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen t/m 1/10.

Voor alle voorstellingen zijn nog kaarten verkrijgbaar.

Het tiende operaseizoen in het Amsterdamse Muziektheater begon gisteren met een uitvoering van Strauss' Elektra in de regie van Willy Decker. Bijna twintig jaar geleden was in de Amsterdamse Stadsschouwburg Elektra in de schokkende enscenering van Harry Kupfer het echte begin van de 'moderne' regie in Nederland, afgezien van de veel gematigder voorstellingen van Götz Friedrich. Twaalf jaar geleden betekende een reprise daarvan het Nederlandse debuut van dirigent Hartmut Haenchen, die nu ook deze Elektra leidt.

De Elektra van Kupfer was een verpletterende ervaring. De in de Stadsschouwburg oorverdovend klinkende fortissimo-inzet van het Agamemnon-motief scheurde het gordijn open en men schrok heftig op van een verblindend felverlichte helwitte ruimte. Bloederige karkassen van dieren rolden op het publiek af: het huis van Agamemnon was een slachthuis waar de mensen elkaar afmaakten als beesten. Elektra klampte zich vast aan het reusachtige standbeeld van haar vermoorde vader, waarvan men slechts de benen zag, en volvoerde uiteindelijk samen met haar broer Orestes de wraakactie: de moord op hun moeder Klytamnestra en haar nieuwe minnaar Aegisthos.

De nieuwe Elektra van Willy Decker begint in onheilspellende stilte. Na het optrekken van het doek zien we een halfduistere overloop in het trappenhuis van het paleis van Agamemnon. Elektra komt naar boven en heft een bijl op. Pas dan klinkt - in de akoestiek van het Muziektheater verre van overdonderend - het Agamemnon-motief: het is de bijl waarmee Agamemnon is vermoord, waaraan Elektra zich vastklampt en waarmee ze nu Klytamnestra wil vermoorden.

Elektra doet dat nadrukkelijk namens haar vader, ze hult zich aanvankelijk in Agamemnons generaalskleren, maar ze blijkt in de directe confrontatie met haar moeder toch te zwak voor de moord. Later, als haar zuster Chrysothemis heeft geweigerd, trekt ze Orestes dat uniform aan. Dan lijkt hij op de Stenen Gast in Don Giovanni: de dode neemt zelf wraak, Agamemnon herleeft in Orestes en doodt Klytamnestra en zijn rivaal Aegisthos.

De muren zijn hier grijs, het bloed bestaat uit vage roze vlekken, dit monumentale trappenhuis lijkt met die weldadige rondingen wel ontworpen door de architect Wijdeveld, die ook een decorbouwer was. De handeling blijft een van de weerzinwekkendste en gewelddadigste in het operarepertoire. Maar temidden van de extremen zoeken regisseur Willy Decker, decorontwerper Wolfgang Gussmann, dirigent Hartmut Haenchen en zijn uitstekend spelende orkest vooral naar de nuances, naar de variëteit in de grijstinten en de orkestrale kleuringen, naar de onzekerheden en de onmacht in Elektra's vastberadenheid, naar de laatste sporen van menselijkheid, mildheid en moreel besef in een onmenselijke omgeving.

Ook al maakt het uiteindelijk weinig uit, die resten van humaniteit en schuldbesef zijn er in ruime mate. Aan het slot, als Klytamnestra in twee fasen door haar zoon Orestes bloedig is vermoord, breekt bij Elektra het gevoel weer door - ze is niet langer alleen de wraakzuchtige dochter van haar vermoorde vader maar nu ook nog de bedroefde dochter van haar vermoorde moeder.Ze kijkt haar langdurig in het gelaat, sluit haar ogen en dekt haar toe met de mantel van Agamemnon, haar ouders daarmee weer verenigend. Dan kroont ze Orestes en doorsteekt ze zichzelf met de dolk die haar moeder doodde. Doorleven is nog pijnlijker.

De titelrol is in de vertolking van Eva-Maria Bundschuh (eerder in Amsterdam ook Salome in de enscenering van Kupfer) het toonbeeld van dat brede scala aan gevoelens tijdens die worsteling tussen wraak, rechtvaardigheid en het afscheid van persoonlijk geluk. Bundschuh krijst niet, zij zingt vooral met vervoering en als ze zich haar gelukkige jeugd herinnert, verliest zij zich in warme lyriek. Slechts een enkele keer hoort men haar extreemste expressie, maar die hoogste en meest extatische noten hebben een esthetische glans.

Ook Anne Gjevang maakt vocaal en acterend van Klytamnestra een complexe persoonlijkheid. Op haar blokhakken, die als antieke Griekse cothurnen werken, is zij een uitbundig met bont en parels uitgedost liederlijk hooghartig loeder.Maar in haar monoloog Ich habe keine gute Nächte weet ze deernis op te wekken - het leven met èn zonder Agamemnon heeft haar verscheurd.

De door Inga Nielsen opvallend goed en prominent gezongen Chrysothemis vormt in deze voorstellling de stralende keerzijde van Elektra's verduisterde persoonlijkheid: zij wil leven, als vrouw en als moeder.

De drie sterke vrouwenrollen laten de mannen verbleken - Jukka Rasilainen is een schimmige Orestes, Walter Raiffeiner heeft als Aegisthos weinig te zingen, de beroemde Franz Mazura is als 'Der Pfleger des Orest' verspilling van talent.

Deze voorstelling doet de Elektra van Kupfer niet vergeten, maar roept die als een (onbedoeld) intrigerend complement daarop juist weer sterk in herinnering. De uitvoering maakte bij de première net niet die overweldigend intense indruk die Decker eerder in Amsterdam bereikte met zijn voorstellingen van Bergs Wozzeck en Massenets Werther.