Campagne voor meer vrouwen in topfuncties

ROTTERDAM, 4 SEPT. Op initiatief van overheid en bedrijfsleven gaat op 9 september een landelijke campagne van start om meer werkende vrouwen te laten doorstromen naar hogere functies binnen bedrijven, overheidsinstellingen en andersoortige organisaties. De campagne wordt ondersteund door onder meer ABN Amro, Philips, de ANWB, de Nederlandse Spoorwegen, de KLM en MKB-Nederland.

In totaal nemen aan de stuurgroep 23 top-beslissers uit het bedrijfsleven deel, die zich naar verwachting allen zullen aansluiten. De campagne, die nu nog wordt aangeduid met de naam Opportunity en onbepaalde tijd zal duren, krijgt drie jaar subsidie van de ministeries van Sociale en Economische Zaken.

Organisaties die willen deelnemen aan de campagne worden lid van de stichting Opportunity, betalen contributie en leggen vast wat zij de komende jaren willen bereiken op het gebied van in- en doorstroming van vrouwelijke werknemers. Dit kan variëren van het aanstellen van meer vrouwelijke academici tot het benoemen van een minimaal aantal vrouwelijke managers of leden van de raad van bestuur. In het algemeen geldt dat bedrijven zich bewuster dienen te worden van het vrouwelijk potentieel op de arbeidsmarkt en binnen de eigen organisatie en van de beslissende stem van vrouwelijke consumenten. Voor advies kunnen de deelnemende organisaties terecht bij het bureau van de stichting, dat op 29 oktober officieel wordt geopend.

“De tijd van positieve actie is voorbij”, aldus Sybilla Dekker, algemeen directeur van de Algemene Werkgevers-Vereniging en voorzitter van de stichting Opportunity. “Deze tijd vraagt om een meer rationele aanpak van vrouwenemancipatie op de arbeidsmarkt. Met positieve actie loop je het risico weerstand op te roepen. Het succes ervan is meestal maar van korte duur. Het is nu aan de bedrijven zelf om actie te ondernemen.” Als oud-voorzitter van de Stichting Vrouwen Netwerk Nederland geldt Dekker, tot begin dit jaar directeur van het Nederlands Verbond van Ondernemers in de Bouwnijverheid, als warm pleitbezorger voor de doorstroming van vrouwen naar hogere posities. “De tijd is rijp voor deze campagne.”

De Nederlandse campagne is opgezet naar het voorbeeld van een gelijknamige Britse campagne die in 1991 begon en inmiddels circa driehonderd deelnemende bedrijven en organisaties telt. Tussen de Nederlandse en de Britse campagne zijn echter belangrijke verschillen.

Pag.19: Werkweek Nederlandse vrouwen kortste in EU

Zo gaat het in Groot-Brittannië vooral om het stimuleren van de arbeidsparticipatie van vrouwen in het algemeen, terwijl in Nederland de nadruk ligt op het laten doorstromen van vrouwen naar hogere posities. Bovendien ging het in Groot-Brittannië om een initiatief van enkele grote organisaties (waaronder British Rail) en niet van de overheid. De campagne wordt wel gesteund door de Britse regering. Volgens Liz Bargh, voorzitter van de Britse campagne, die eerder dit jaar werd geinterviewd door het tijdschrift VB Magazine, bestaan ook in Oostenrijk, Spanje, België, Australië en de Verenigde Staten plannen voor een soortgelijke campagne. Volgens Bargh is het aantal vrouwelijke directeuren in het Verenigd Koninkrijk bij de deelnemende bedrijven gestegen van 8 naar 16 procent.

Qua arbeidsparticipatie van vrouwen loopt Nederland achter bij veel andere landen in Europa. Volgens cijfers van het Europees Bureau voor de Statistiek heeft slechts 32,8 procent van de Nederlandse vrouwelijke beroepsbevolking tussen de 18 en 64 jaar een fulltime baan. Dat is verreweg het laagste percentage in de hele Europese Unie. Ter vergelijking: in Luxemburg werkt bijna 80 procent van de werkende vrouwen fulltime, in Griekenland ruim 91 procent en in Groot-Brittannië 55,7 procent. Driekwart van alle parttime banen wordt vervuld door vrouwen. Met een gemiddelde werkduur van 25 uur per week, werkt de Nederlandse vrouw het minst van alle vrouwen in de EU. Slechts 4 procent van de werkende vrouwen in Nederland heeft een hogere en/of leidinggevende functie (gemiddelde in de EU is 8 procent), terwijl 1 procent van de werkende vrouwen is doorgedrongen tot de raad van bestuur of een daaraan gelijkwaardig niveau.

Vorig jaar ging een soortgelijke campagne van start, Uitdaging 2000 geheten, onder voorzitterschap van oud-VVD-Kamerlid Len Rempt. Ook deze campagne beoogt meer vrouwen op hogere posities te krijgen. Uitdaging 2000 blijkt vooral te zijn aangeslagen bij universiteiten, gemeenten, ministeries en vakbonden. Belangrijk verschil met de nieuwe campagne is dat Uitdaging 2000 zich met haar acties richt op beleidsmedewerkers (zoals Personeelsafdelingen), waar Opportunity zich richt tot 'beslissers' (de top van het bedrijfsleven, zoals raden van bestuur). Rempt verwacht dat beide stichtingen op enigerlei wijze zullen samenwerken.

De stichting Opportunity zal niet controleren of aan de campagne deelnemende organisaties hun vastgelegde streefcijfers en doelstellingen ook inderdaad waarmaken. “Een verandering in mentaliteit dwing je niet af met controle”, vindt voorzitter Dekker. “Controle werpt alleen maar weerstand op. Opportunity is bovendien geen wetgevende instantie.”

De stichting Opportunity zal geen algemene streefcijfers hanteren tijdens de campagne. Dekker: “Bedrijven moeten het zelf doen. Ik hoop natuurlijk wel dat het percentage vrouwen in hogere posities een paar procent stijgt en dat bedrijven qua personeelsbestand meer toegaan naar een afspiegeling van de maatschappij.”

De campagne krijgt drie jaar lang startsubsidie, daarna moet het campagnebureau met behulp van contributies op eigen benen kunnen staan. Dekker: “Drie jaar is een uitstekende termijn. Als Opportunity zich in die periode niet kan bewijzen, moeten we er vooral mee stoppen.”