Absurde logica van een junkiebestaan; 'trainspotting': Strakke film over vriendschap en verraad

Trainspotting. Regie: Danny Boyle. Met: Ewan McGregor, Ewen Bremner, Robert Carlyle, Jonny Lee Miller, Kevin McKidd, Kelly McDonald. In: 21 theaters.

Door een armoedige straat in de grote stad rent een jongen met stekeltjeshaar, achternagezeten door twee beveiligingsagenten. Hij baant zich een weg door de winkelende menigte en we zien hoe er van alles uit zijn zakken valt - gestolen goed zonder twijfel. Terwijl de schokkerige beelden van de achtervolging steeds sneller op elkaar volgen, klinkt op de soundtrack Iggy Pops punkklassieker 'Lust For Life'.

Over de hamerende muziek heen horen we de voice-over van de rennende skinhead. Choose life, zegt hij. Choose a career. Choose a family. Waarna hij achter elkaar de verworvenheden van het burgerleven opsomt: van auto's en elektrische blikopeners tot televisiequizzen en onuitstaanbare kindertjes. I chose not to choose life, besluit hij. “En de reden? Er is geen reden. Wie heeft er redenen nodig als je heroïne hebt?”

Overrompelender dan Trainspotting kan een film nauwelijks beginnen. Maar het zwart-romantische credo van Mark Renton, drugsverslaafde in het Edinburgh van de jaren tachtig, is slechts een voorproefje van wat komt. Binnen een half uur zijn we ondergedompeld in de groezelige details en de absurde logica van zijn junkiebestaan. Renton leeft met zijn lotgenoten Spud, Sick Boy en Allison in een onttakeld appartement. Hij verdeelt zijn tijd tussen hosselen, scoren, in kroegen hangen, en nutteloze kennis verzamelen en uitwisselen met zijn vrienden (het 'treinspotten' uit de titel). Renton is verslaafd uit overtuiging; hij is niet zielig, hij weet waarvoor hij het doet. De flash van een dosis heroïne, zo legt hij uit, is mooier dan duizend keer je beste orgasme.

In hun verfilming van Irvine Welsh' cultboek Trainspotting kozen Danny Boyle en John Hodge - de regisseur en de scenarioschrijver van de Schotse thriller Shallow Grave - niet voor het sociaal-realisme dat veel andere speelfilms over de drugsscene kenmerkt; laat staan voor Christiane F.-achtig gemoraliseer. Hun belangrijkste stijlmiddelen zijn zwarte humor en overdrijving. Keer op keer geven ze een in aanleg gruwelijke of afstotende gebeurtenis een fantastische wending, alsof ze willen onderstrepen dat het leven van een junkie vóór alles wonderlijk is.

Het eerste en dus verrassendste voorbeeld van deze vorm van surrealisme is de scène waarin Renton (tomeloos energiek gespeeld door Ewan McGregor, die ook in Shallow Grave een hoofdrol had) twee zetpillen met verdovende middelen verliest in 'de goorste plee van Schotland': als hij ze graaiend niet terug kan vinden, laat hij zich in de overvolle wc-pot zakken, om na een afdaling in het riool met de capsules weer boven te komen. Je wrijft je ogen uit. Maar deze bijzondere manier van scoren prepareert je voor de andere opvallende staties van Rentons verslaving: de Overdosis, waarbij hij op de klanken van Lou Reeds 'Perfect Day' elegant door de vloer lijkt te zakken; en het Afkicken, dat gepaard gaat met beurtelings lachwekkende en angstaanjagende hallucinaties op techno-housemuziek.

Dan, na ongeveer drie kwartier, verandert Trainspotting vrij plotseling van toon. Wanneer Renton na enkele traumatische ervaringen heeft besloten om af te kicken, verlaat hij de drugsscene in Edinburgh en begint hij een bestaan als makelaarshulp in Londen. Maar zijn oude vrienden achterhalen hem en uiteindelijk kan hij alleen nog door verraad van hen afkomen. In een situatie die herinnert aan de sleutelscènes van Shallow Grave besteelt hij zijn maten van een tas met oneerlijk verkregen geld. Hij loopt weg en verzekert ons in een voice-over dat dit een nieuw begin is: I'm moving on, going straight and choosing life. I'm going to be just like you. Waarna hij als een volleerd trainspotter een lange lijst met attracties van het burgerleven opsomt.

Toen Trainspotting van Irvine Welsh drie jaar geleden een succès de scandale werd in Groot-Brittannië, geloofde niemand dat dit associatieve boek, met zijn sombere strekking en zijn lange passages in Schots slang, verfilmd kon worden. Nu de film uit is, weten we beter; Boyle en vooral Hodge lieten zich niet intimideren door het weerbarstige originele materiaal en maakten een strakke film over vriendschap en verraad. Als vanzelf werd bijna alles dat ze aanraakten goud: het acteren (van McGregor, maar ook van Ewen Bremner als de aandoenlijke zenuwpees Spud, en van Robert Carlyle als de onberekenbare sadist Begbie); de dialogen, waarin de grillige taal van Welsh bewaard is gebleven; de visuele stijl (lage camerastandpunten, want junkies leven op de vloer; veel paars en rood, want junkies lijden als de figuren van Francis Bacon); en natuurlijk de soundtrack, die niet alleen perfect aansluit op het ritme van de beelden, maar ook een aanstekelijk overzicht geeft van twintig jaar popmuziek: van Lou Reed en Iggy Pop tot de house van Underworld en de Britpop van Pulp en Blur.

Vooral tijdens het plotloze en exuberante eerste deel van Trainspotting kun je alleen maar denken dat je zit te kijken naar de film van het jaar, een Clockwork Orange voor de MTV-generatie. Dat overweldigende gevoel mag gaandeweg slijten, de bewondering blijft. Met Trainspotting bombarderen Danny Boyle, John Hodge en producer Andrew Macdonald Schotland tot een centrum van de Europese filmcultuur. Wanneer een van de personages in de film vertwijfeld uitroept dat it's a shite being Scottish, moeten we dat dan ook opvatten als superieure ironie.

    • Pieter Steinz