Verhoor zweeft tussen beïnvloeding en pressie

AMSTERDAM, 3 SEPT. De bekentenis van de verdachte geldt als kroon op het politiewerk. De oude Romeinen spraken al van de “regina probationis” (letterlijk: koningin van het bewijs). Niemand kent immers beter de bijzonderheden van een gepleegd delict dan degeen die het heeft begaan. Ook voor het verzamelen van de zogeheten stille getuigen van een misdaad is de politie vaak afhankelijk van aanwijzingen van de verdachte.

Het verhoor is dan ook, in de woorden van de politiedeskundige prof. J. Naeyé, “de spil waarom elk strafproces draait”. De keerzijde is de verleiding “minder edele middelen te gebruiken”, zoals een minister van justitie het voor de oorlog eens uitdrukte. Ons wetboek van strafvordering zegt daarom dat een verdachte niet tot antwoorden verplicht is. Rechters of verhorende ambtenaren krijgen vervolgens de expliciete opdracht “zich te onthouden van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen waarvan niet kan worden gezegd dat hij niet in vrijheid is afgelegd”.

Deze bepaling stond centraal bij de beoordeling van de 'Zaanse verhoormethode' door de rechtbank in Groningen. Het wetsartikel is in 1926 in de wet gekomen, een tijd toen met name in Amerika nogal wat te doen was over de zogeheten third degree, het 'verscherpte verhoor' waarbij de politie alles doet om de verdachte tot bekennen te dwingen. De Nederlandse wet heeft het zeker niet alleen over dit soort extreme vormen van druk. Volgens de toelichting keert zij zich tegen “elke beïnvloeding, elke pressie van die aard dat zij een verdachte buiten staat stelt zich rekenschap te geven van de inhoud van zijn verklaring”.

Een verhoor is echter nooit een vrijblijvend gesprek tussen gelijkwaardige gesprekspartners. Het dient nu eenmaal allereerst de bewijsvoering. Naeyé: “De verdachte is niet tot spreken verplicht maar hij moet wel dulden dat hem vragen worden gesteld in een situatie waarin de verhorende politie-ambtenaar de regie voert, kennis van zaken heeft en situationeel overwicht bezit. De grens tussen toelaatbare beïnvloeding en ongeloorloofde pressie is dan ook niet steeds duidelijk”.

De Groningse rechtbank erkent dat politie en justitie “met kracht mogen werken” aan het rond maken van een zaak maar vindt dat de Zaanse methode het pressieverbod overschreed. De rechters tillen vooral zwaar aan elementen van misleiding die werden toegepast. Ook het betrekken van het jonge dochtertje van de verdachte in het verhoor wordt als een ontoelaatbare vorm van psychische druk bestempeld. De pure duur van de verhoren - de Groningse verdachte werd drie dagen lang indringend verhoord - speelt geen rol in het oordeel, hoewel de toelichting op het wetboek met zoveel woorden waarschuwt tegen “elk te lang voortzetten van het verhoor”.

Met name tijdens langdurige verhoren ontstaat er vaak een relatie tussen de verhorende ambtenaar en de verdachte. De verbalisant dient daarbij in de woorden van Naeyé te waken voor “geestelijke intimidatie”. Een klassiek voorbeeld is de rechercheur die aan het ziekbed van een verdachte verscheen en neerknielde voor een gebed - waarop de verdachte in tranen bekende.

De grond voor het pressieverbod is allereerst principieel van aard. Het gaat te ver van een medemens te verwachten dat hij zelf het hoofd in de strafrechtelijke strop steekt. Maar er zijn ook praktische redenen. Met name in de VS is gewaarschuwd dat het zware leunen op de bekentenis als bewijsmiddel niet moet ontaarden in een vorm van politiële gemakzucht. Het is, in de woorden van een oude sheriff in een van de zuidelijke staten, “verleidelijker peper te strooien in de ogen van een arme duivel in je cel dan zelf op het bewijs uit te gaan in de brandende zon”.

En dan is er het gevaar van onware verklaringen. Zo vertelde een oud-politieman eens over een verdachte die in de cel de ene na de andere inbraak ging bekennen. “Een mooie vangst dachten we. Totdat bij de reconstructie bleek dat hij de inbraken bij elkaar had gelogen om toch maar zo snel mogelijk uit die ellendige politiecel te komen.”