Universiteiten op krimpende markt

De opening van het academisch jaar werd gisteren gemarkeerd door de gebruikelijke plechtige bijeenkomsten, die op buitenstaanders niet zelden een licht belachelijke indruk maken. De pompeuze universiteiten vormen immers een branche die wordt bedreigd door massaal verlies van klanten, terwijl de hopeloos verouderde bedrijfsvoering een slagvaardige reactie op veranderde marktverhoudingen belemmert.

De afgelopen weken zijn de universiteitssteden overspoeld door ruim 25.000 aankomende studenten. In vergelijking met het begin van de jaren negentig hebben zich dit jaar echter twintig procent minder eerstejaars gemeld. Door een geringere instroom en versnelde uitstroom zal het totale aantal studenten in het wetenschappelijk onderwijs de komende tien jaar met ten minste veertigduizend dalen, tot circa 140.000.

De instroom vermindert als gevolg van de door de naoorlogse babygolf gepraktizeerde geboortebeperking. Het aantal jongeren in de leeftijdsgroep 18-24 jaar daalt tot het jaar 2005 met twaalf procent. Alleen die demografische aardverschuiving kost de universiteiten al twintigduizend studenten. Tot voor kort konden afgestudeerden van het hoger beroepsonderwijs vrij eenvoudig doorstromen naar de universiteit. Haagse beleidsmakers meenden dat dit 'stapelen' van studies te begrotelijk werd. Een recente herziening van de regeling voor studiefinanciering heeft doorstromen veel moeilijker gemaakt. Dit scheelt de universiteiten op afzienbare termijn nog eens ruim tienduizend klanten.

Vermoedelijk loopt het totale aantal studenten de komende tijd sterker terug dan met de genoemde veertigduizend. De oorzaak ligt bij andere, nog niet genoemde maatregelen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen. Het collegegeld gaat op afzienbare termijn verder omhoog tot 2750 gulden per jaar. Tegelijk is het stelsel van studiefinanciering opnieuw versoberd. Beide ingrepen schrikken aspirant-studenten af en doen de vraag naar universitair onderwijs extra krimpen.

In de achter ons liggende tien jaar zijn de aanspraken op studiefinanciering al fors beperkt. Bij de invoering van het bestaande stelsel, in 1986, had een student aanspraak op zes jaar studiefinanciering. Met ingang van het studiejaar 1996-1997 is dit teruggebracht tot vier jaar. Dat belooft wat! Van de studenten die in de zomer van 1988 aan hun universitaire opleiding begonnen slaagde namelijk slechts één op de twintig erin vóór september 1992 de bul te halen. De komende tijd staan docenten dus onder toenemende druk om soepel te cijferen. Het aantal beroepsprocedures zal toenemen. Tentamenfraude is extra lonend. Docenten worden wellicht vaker fysiek bedreigd.

Bij de studiefinanciering zijn namelijk ook de eisen inzake de studievoortgang opgeschroefd. Een noviteit is hier de prestatiebeurs. Met ingang van het zojuist begonnen studiejaar moeten studenten eerst geld lenen. Pas als zij voldoende voortgang met hun studie maken, wordt de lening (gedeeltelijk) omgezet in een beurs. Jaarlijks dienen studenten ten minste vijftig procent van de vereiste studiepunten te halen. Het vooruitzicht dat zij na een mislukte studie met tien- tot twintigduizend gulden schuld wat anders moeten gaan doen, zal sommige schoolverlaters stimuleren meteen de arbeidsmarkt op te gaan. Misschien wijkt een aantal studenten, net als hun (groot)ouders, uit naar België. Dit keer niet om vermogensbelasting en successierecht te ontwijken, maar omdat in Vlaanderen het collegegeld aanzienlijk lager ligt dan hier. In alle gevallen is het resultaat het zelfde: minder afzet voor onze universiteiten.

Nu studenten via het collegegeld een toenemend deel van de kosten van het universitair onderwijs uit eigen zak betalen, en zij geacht worden binnen vier jaar hun studie te voltooien, neemt hun belangstelling voor de kwaliteit van het door universiteiten geleverde onderwijsprodukt snel toe. Uit visitaties van onafhankelijke deskundigen blijkt dat tussen en binnen universiteiten grote verschillen in de kwaliteit van het gegeven onderwijs bestaan. 'Studeerbaarheid', de mogelijkheid om de studie inderdaad binnen de gestelde tijd van vier jaar af te ronden, is hier het nieuwe modewoord. In een belachelijk bureaucratisch circus rollen de universiteiten op dit moment over elkaar heen om mee te grabbelen uit een pot met 200 miljoen gulden, die minister Ritzen voor verbetering van de studeerbaarheid opzij heeft gezet.

Bij hun pogingen het onderwijsaanbod te verbeteren, ondervinden universitaire bestuurders een grote handicap. Het staat vast dat de faculteiten in het algemeen gesproken niet hun beste krachten voor het eerstejaarsonderwijs weten te mobiliseren. Een groot deel van de universitaire staf ziet dit onderwijs hoofdzakelijk als een loden last. Het ideaal is onderzoek te doen. Alleen publikaties in toptijdschriften brengen iemand vooraan in de academische pikorde.

Vrijwel alle bestuurders proberen hun instelling nu te profileren door nieuwe cursussen aan te bieden, die mikken op toptalent. Door op deze manier de markt af te romen, hopen zij hun instelling meer uitstraling te geven. Briljante studenten zijn uiteraard ook de gemakkelijkste klanten: het zijn gemotiveerde zelfdoeners, waaraan docenten met plezier college geven. De grootste uitdaging is evenwel de universitaire opleiding zo aantrekkelijk te maken, dat wat minder begaafde en gemotiveerde studenten tijdens de eerste twee jaren van hun opleiding eveneens de smaak te pakken krijgen. Tegen die uitdaging lijken de verbureaucratiseerde universiteiten niet te zijn opgewassen. Dat komt mede, doordat het bestuur van de instellingen nog altijd is geschoeid op de leest van het overleefde en onwerkbare model van de radendemocratie. Verder maken bestaande rechtspositieregelingen snelle aanpassing van het onderwijsaanbod aan de gewijzigde vraag onmogelijk.

Privatisering van ten minste een deel van de universiteiten zou veel van de aangestipte tekortkomingen en starheden verhelpen. Maar dat is een ander verhaal.