Kersentuin van Anton Tsjechov op het rauwe af

Voorstelling: De Kersentuin van Anton Tsjechov door Amai. Vertaling: Charles B. Timmer; kostuums: Marianne Burgers e.a.; regie: Jochem Royaards; spelers: Reinhilde Decleir, Ansje Rooijackers, Luk van Mello e.a. Gezien 30/8 Voormalige Textielfabriek Van den Heuvel, Molenstraat, Geldrop. Te zien t/m 28/9 aldaar. Inl 040-286 2681.

De afmetingen van de speelvloer voor Anton Tsjechovs De Kersentuin zijn nauwelijks te becijferen. In de voormalige textielfabriek Van den Heuvel in Geldrop verliezen glanzende, houten vloeren zich in een weidse verte. Gordijnen schuiven open en dicht; een ronde trap leidt naar een lichtkoepel. Zelfs in de hoogte spelen de acteurs. Wanneer een onhandig personage een boeket brengt en over zijn eigen voeten struikelt, dwarrelen de bloemen omlaag.

De met de sloop bedreigde textielfabriek is een theatrale ruimte bij uitstek. Vanuit onverwachte richtingen komen de personages op, ontmoeten elkaar vluchtig en verdwijnen weer in het niets. Jochem Royaards heeft De Kersentuin geënsceneerd als een carrousel van aankomst en afscheid; daarin volgt hij en détail de grotere thematiek van het blijspel, dat opent met de terugkeer uit Parijs van de eigenaresse van het landgoed en het eindigt met haar vertrek.

Intussen is haar huis met de nabijgelegen kersentuin verkocht omdat de schuldenlast te zwaar werd. De bomen worden omgehakt, villa's verschijnen op het stuk grond.

Met De Kersentuin uit 1904 (het jaar van zijn dood) schreef Tsjechov een vaarwel aan het feodale verleden. De nieuwe, vulgaire tijd van 'forensen en hun villa's' is aangetreden. Wat oud en mooi is, moet wijken voor het nieuwe en lelijke. Dit gedwongen afscheid is de dreigende grondtoon van het toneelstuk.

Bij Tsjechov heet die toon al snel melancholiek en droevig; inderdaad, we stellen ons bij hem traag verglijdende stemmingen voor, toetsen van getemperd verdriet.

Regisseur Jochem Royaards ontwikkelt een andere visie op Tsjechovs personages: bij hem zijn het doelloos ronddravende, onstuimig met hun hakken op de grond slaande figuren. Zelden zal er in een Tsjechov zo weinig gevoelvolle sfeertekening zijn geweest en zoveel wildheid, soms op het rauwe af.

Dat levert opvallende contrasten op. Ademt het decor, met zijn bloemen in grote vazen, een oude kast, kroonluchters en meubels van vroeger een laat negentiende-eeuwse atmosfeer, de speelstijl is hedendaags fysiek en ongedurig. Deze optiek stelt aan de spelers hoge eisen, want Tsjechovs taal laat zich niet eenvoudig uitspreken in een entourage van haast en rusteloosheid.

Temidden van al die in het rond draaiende personages vertolkt Luk van Mello als de geslepen zakenheer Lopachin een cruciale rol. Niet alleen is hij de aanstichter van alle kwaad, want hij is verantwoordelijk voor de verkoop van het landgoed. Ook door de solide standvastigheid die in zijn acteren schuilt, is hij een onmisbaar element. Hoewel de tragiek van de voorstelling bij de eigenaresse (Reinhilde Decleir) en haar gevolgt ligt, verschuift het brandpunt geleidelijk naar Van Mello. Zoals hij na aankoop met de feestelijke fles champagne in de verlaten, immense ruimte staat - een judasfles natuurlijk want niemand die met hem wil klinken - is van grote dramatiek.

Ook in andere bijrollen ligt veel tragiek verscholen. Ton Selter als de oude lakei Firs heeft een indrukwekkende rol. Stil terzijde staand en toch alert, half doof maar alles bespiedend, is hij volop aanwezig. Ook Mathieu Güthschmidt, als de wijsgerige broer van de eigenaresse, blijft in zijn spel dicht bij dat schrijnende besef van ontheemding dat Tsjechovs personages kenmerkt.

Door deze accenten ontstaan in de uitvoering subtiele verschuivingen. Voor de eigenaresse en haar dochter Anja (Ansje Rooijackers) betekent de verkoop een nieuw begin. Maar voor haar ondergeschikten, zij die minder vermogend zijn, is de verkoop een noodlottige gebeurtenis. In de nieuwe, anti-feodale tijd is voor hen geen plaats.

De keuze van Jochem Royaards voor De Kersentuin is meer dan alleen een artistieke. De oude, vervallen fabriek waaraan het gezelschap op miraculeuze wijze een tweede leven heeft gegeven, valt binnenkort - misschien - onder de slopershamer. Dat zou voor een schitterende, theatrale locatie als deze een ramp zijn, even groot als die van de verkoop van het landgoed voor Tsjechovs personages.

Aan het slot van het stuk De Kersentuin klinkt er het geluid als van een gebroken snaar. Het is de bijl die slaat in de eerste kersenboom. Bij Amai ontbreekt deze bijlslag aan het slot, ze klinkt wel eerder, ongeveer halverwege. Wat is met deze ingreep Royaards' bedoeling? Dat hij het definitieve slotakkoord nog voor zich uit wil schuiven? Dan zijn Tsjechov en zijn personages hem verder vooruit; want voor hen is het doek wèl gevallen. Jochem Royaards daarentegen koestert nog hoop.