Eerste doorbraak in Kosovo

Het gisteren ondertekende akkoord tussen de Servische leiding en de leider van de Albanese gemeenschap in Kosovo over de normalisering van het onderwijs in de provincie is de eerste grote doorbraak sinds Servië in 1989 de Albanezen in Kosovo hun grondwettelijk gegarandeerde autonomie afpakte: een mijlpaal.

Wat het akkoord concreet behelst zal voor een deel nog in de toekomst moeten worden geregeld. Maar duidelijk is wel dat het akkoord na zeven jaar van koude oorlog tussen de Serviërs en de Albanezen van Kosovo een eerste teken van ontspanning is.

Zeven jaar lang hebben de Albanezen, die negentig procent van de bevolking van Kosovo uitmaken, het met het geweld van tanks, oproerpolitie en uitzonderingstoestanden opgelegde Servische regime geboycot - zozeer zelfs dat ze een eigen, ondergrondse parallelle samenleving hebben gevormd: de Albanezen hebben in Kosovo ondergronds hun eigen president - Ibrahim Rugova, leider van de LDK, de Democratische Liga van Kosova -, regering en parlement, hun eigen scholen en universiteit, hun eigen ziekenhuizen, rechtspraak, politie en sociale zorg, compleet met pensioenen en uitkeringen. Gefinancierd werd en wordt dit systeem uit eigen ondergrondse belastingheffingen en bijdragen van de in het buitenland werkende Kosovaren.

Deze ondergrondse samenleving had en heeft geen contact met de officiële, bovengrondse samenleving, de samenleving van de kleine Servische en Montenegrijnse minderheid is, want Albanese kinderen gaan al zes jaar niet naar de officiële scholen en de Albanezen vertonen zich voor geen prijs in de Servische ziekenhuizen. Ook uit de officiële economie zijn de Albanezen verdreven: ze zijn massaal ontslagen, van fabrieksarbeiders tot rechters, en van politiemannen tot onderwijzers, artsen en journalisten. Kosovo, kortom, is het land van de perfecte segregatie en de perfecte apartheid.

De afgelopen jaren heeft Belgrado onder druk gestaan van de internationale gemeenschap om iets aan het probleem-Kosovo te doen. Het heeft zich steeds tegen die druk verzet met het argument dat Kosovo een binnenlands probleem is waarmee niemand zich mocht bemoeien. Zeven jaar lang heeft Ibrahim Rugova van zijn kant de internationale gemeenschap opgepord, met het argument dat het vroeg of laat tot geweld van de onderdrukte en gefrustreerde Albanezen moest komen, en dat dan een bloedbad onvermijdelijk zou zijn.

Pas de laatste twee maanden is er schot in het probleem gekomen. Eerst hield de voorzitter van de Servische Academie van Wetenschappen in een - binnen de Joegoslavische context spectaculaire - toespraak de Serviërs voor dat ze een keus moesten maken: ze moeten ofwel de Albanezen als gelijkberechtigde Joegoslavische staatsburgers accepteren, ofwel instemmen met afscheiding van Kosovo. Maken ze die keus niet, zo zei hij, dan wordt het probleem-Kosovo onbeheersbaar, al was het maar omdat de Albanezen op de lange duur met hun extreem hoge geboortencijfer de Serviërs demografisch inhalen.

Deze eerste aanzet tot de bespreking van een probleem dat tot dan toe in Servië onbespreekbaar was werd gevolgd door andere signalen. Eind augustus nodigde oud-minister van Binnenlandse Zaken Radmilo Bogdanovic, nu voorzitter van de parlementscommissie voor veiligheidszaken, de Albanezen uit zonder voorwaarden vooraf om de tafel te gaan zitten. “Het is tijd voor een serieus gesprek over Kosovo.” Zich rechtstreeks tot hen wendend zei hij: “U bent burgers van dit land en deze leiding kan met u praten, uw zorgen aanhoren en aanbieden wat onze grondwet en onze wetten toestaan.”

Gisteren kwam dan de doorbraak: de Servische president Milosevic en Ibrahim Rugova ondertekenden - na bemiddeling van een Italiaanse kerkelijke groepering - een akkoord over de normalisatie van het schoolsysteem. De 300.000 Albanese schoolkinderen van Kosovo (en waarschijnlijk, al is daar nog onzekerheid over, ook de 12.000 studenten) kunnen weer 'bovengronds' naar school.

Veel meer dan dit principe-akkoord is er nog niet: over details moet nog worden onderhandeld, en zo is nog niet zeker of die Albanese kinderen op die bovengrondse scholen het in 1989 ingevoerde Servische lesprogramma voorgeschoteld krijgen. De invoering van dat Servische curriculum was indertijd aanleiding voor de Albanezen om de officiële scholen de rug toe te keren.

Maar het belangrijkste is dat er wordt gepraat, dat Rugova voor het eerst is geaccepteerd als legitieme vertegenwoordiger van de Kosovaren en als gesprekspartner van Belgrado. Dat feit maakt van het akkoord een doorbraak.

Beide partijen hebben hun eigen reden nu die doorbraak te wensen: zowel Milosevic als Rugova staat onder druk. De leider van de Albanezen staat onder druk omdat de stemming in zijn achterban radicaliseert en hij het risico loopt zijn greep op die achterban te verliezen. Zeven jaar lang heeft hij, bang voor een bloedbad, de Albanezen opgeroepen géén geweld te gebruiken tegen de Servische onderdrukker. Maar dit jaar hij heeft met die oproepen steeds minder succes: sinds april is een aantal aanslagen gepleegd tegen Serviërs of Servische doelen in Kosovo. Er zijn zes doden gevallen, slachtoffers van een nieuw 'Bevrijdingsleger van Kosovo' dat heeft aangetoond bereid te zijn geweld te gebruiken tegen de Serviërs en dat Rugova in zijn pamfletten voor 'defaitist' uitmaakt.

Ook de Servische leider Milosevic staat onder druk. Hij moet deze herfst in verkiezingen zijn positie verdedigen. Om dat met succes te kunnen doen heeft hij de medewerking van de internationale gemeenschap bij de economische herintegratie van Joegoslavië nodig. Rust aan het internationale front is voor Milosevic op dit moment van groot belang. Dáárom normaliseerde hij eind vorige maand al de relaties met erfvijand en buur Kroatië. En dáárom is hij na zeven jaar met Rugova aan tafel gaan zitten.