Een gouden kooi

Iedere schrijver zingt zoals hij gebekt is - er zijn geen regels. Evenmin valt uit te maken wat er nu in een roman thuis hoort en wat niet.

Zo zit ik de laatste tijd met het probleem droom of werkelijkheid. Moet ik de mensen hun dromen beschrijven, hun verlangens of zullen ze zich in hun handen wrijven omdat ze hun werkelijkheid beschreven zien? Ik vermoed dat een en ander door elkaar loopt, vandaar het probleem. Ik denk aan Ayckbourn, de succesvolle Engelse playwright voor wie dit alles geen probleem is en die pas twee weken voor de première van zijn stuk met het schrijven ervan begint en altijd weer op het nippertje klaar is. Ik denk aan Vestdijk, Torenlaan 4, Doorn, 35 jaar lang. Vestdijk die mij zelden verveelt, maar die misschien te veel schreef en die nooit de Nobelprijs heeft gekregen en aan John Steinbeck die 'm wel kreeg en die ik nooit heb kunnen lezen, vroeger al niet en nu helemaal niet meer. Want laat hij dan - 'Cannery Row' - de paradijselijke wereld van de armoe hebben beschreven, zijn zwervers kunnen niet verbergen dat ze van karton zijn. Geef mij maar de klerken van Kafka die, hoe absurd ook, wél geloofwaardig zijn. Een mens gelooft graag in het ongelooflijke.

Toen ik nog werkte had ik collega's die een beetje met mij te doen hadden omdat ik volgens hen 'niet van de pen kon leven' en daarom gedwongen was mijn dagelijks brood te verdienen op kantoor. Nu wil ik niet zeggen dat het daar elke dag een feest was (het grootste feest dat op een kantoor te vieren valt is de beschuit met muisjes omdat er weer een kind geboren is), maar het was toch heel wat prettiger dan, thuis gebleven, de pen ter hand genomen, nog meer te moeten schrijven dan ik al deed. Nu zou je zeggen, een schrijver moet de wereld in trekken, allerlei avonturen beleven, dan kan hij veel verhalen. Maar wie z'n hele leven op kantoor zit kan dat ook. Nergens in de wereld ben je vrijer om te denken wat je wilt dan op kantoor. Ga maar na, al die kantoorheren in de literatuur: Alberts, Kafka dus, Walser, Elsschot, Bordewijk, precies de schrijvers aan wie ik mij altijd graag spiegel en nu Voskuil weer. Het kantoor zelf, met z'n onbeduidende werkzaamheden, is natuurlijk een gevangenis, maar 't is bekend, in een kooitje zingt de vogel het mooist. Daarom zong de gevangen Nescio mooier dan de vrije Doolaard of de nog vrijere Hartog ooit gezongen heeft. Ach, het zogenaamde wilde leven... Je maakt al genoeg mee op kantoor, je hoeft maar het raam uit te kijken. 'De bediende' ('Der Gehülfe') is een prachtige roman van de Zwitserse schrijver Robert Walser. “Ontstaan rond 1908 schildert dit sterk autobiografisch geladen boek een fase in het leven van de schrijver waarop hij met ironische distantie terugkijkt.” Het boek is nog besproken door de jonge Kafka (“Zijn carrière is van een uiterste eenvoud maar slechts deze uiterste eenvoud werpt licht op de wereld.”) Lees wat de bediende Walser zag als hij het raam uit keek: “Van Josefs toren wapperde een mooie, grote vlag omlaag. Al naar gelang de wind waaide, maakte ze met haar lichte lichaam een gedurfde trotse zwaai, of ze frommelde zichzelf beschaamd en moe in elkaar, of ze krulde en slingerde zich koket om de stok, waarbij ze zich in haar eigen gracieuze bewegingen scheen te zonnen en weerspiegelen. En dan opeens weer wapperde ze hoog en breed en ver omhoog, een overwinnares en machtige beschermster gelijk, om geleidelijk aan opnieuw aandoenlijk en liefkozend in zichzelf in elkaar te zakken.” De voorbeeldige vertaling is van Jeroen Brouwers.

Het omgekeerde is niet waar. Niet iedereen op kantoor is gevoelig voor literatuur. Ik las 's in 'De vrolijke wetenschap', van Nietzsche, iets over diep zijn en diep schijnen: “Wie weet diep te zijn, streeft naar helderheid; wie voor de menigte diep wil schijnen, streeft naar duisternis. Want de menigte houdt alles voor diep waarvan zij de bodem niet kan zien: zij is zo vreesachtig en begeeft zich zo ongaarne te water.” Vertaling Pé Hawinkels. Bijna wiskunde! Ik las het voor aan mijn collega en kamergenoot, ik móést hem dit vertellen.

Hij strekte zijn hals, riep kukeleku, een uitroepteken, en zei toen: “Ze lullen wat af tegenwoordig.”

Een goede opsteker voor mijn werk van die avond.