Zwijgend duurt de geheime liefde toch het langst

'Maria' had jarenlang een geheime liefdesverhouding met Godfried Bomans. Geheim, omdat Bomans getrouwd was. Dat betekende veel ontmoetingen in openbare gelegenheden, gehannes in het bos, een geheime postbus zodat hij haar brieven kon ontvangen (“als je dat goed vindt, ik wil het je eerst vragen”), eindeloos veel afwachten, haastige bezoeken terwijl beiden snakten naar meer - kortom alles wat een geheime verhouding nu eenmaal betekent.

Na tweeëntwintig jaar had Maria er genoeg van, of misschien had ze er geen genoeg van maar bracht ze het eenvoudigweg niet meer op. Ze had ook een ongelooflijk groot deel van haar leven besteed aan Godfried, die haar toch nooit kon geven wat ze hebben wilde, wat hij trouwens ook niet beloofde, zo gaf Maria de indruk in Vrij Nederland waaraan ze haar verhaal, geïllustreerd met brieven van Bomans, vertelde. Maria ontmoette een ander met wie ze trouwde en haar verhouding met Bomans hield op.

Dat is nu al zesentwintig jaar geleden. Al die jaren heeft Maria gezwegen, en terecht natuurlijk, want mevrouw Bomans leeft nog. Maar nu heeft ze het toch niet langer volgehouden. Waarom niet? Waarom kon ze nog niet even langer zwijgen? Het moet wel vanuit dezelfde aandrang zijn waaruit Renate Rubinstein destijds haar boekje schreef over Carmiggelt. Geheimhouden is één ding, maar voorgoed geheim houden is iets anders. Ook in Rubinsteins geval had het niet veel gescheeld of alles was openbaar gemaakt tijdens het leven van mevrouw Carmiggelt, maar gelukkig is dat niet gebeurd.

Wie de hoffelijkheid heeft gehad om haar mond zolang te houden zou niet moeten willen triomferen op een moment dat de weduwe toch al niets meer heeft dan herinneringen. Want iedereen die het heeft meegemaakt weet hoe het gaat met de onthulling van een geheime liefde: die vergiftigt achterwaarts het hele verleden. Alle herinneringen krijgen een andere kleur, want er moet nu steeds bij gedacht worden: toen dacht hij dus aan haar. Toen ging hij dus even later naar haar. Toen kwam hij dus net bij haar vandaan. (Of van hem, mutatis mutandis.) Voor de bedrogene is het erg moeilijk om te blijven geloven in de oprechtheid van de aan haar betoonde gevoelens, zij kan, tijdelijk, alleen nog maar denken aan de oprechtheid van de aan de ander betoonde gevoelens.

Het helpt als de bedrieger zelf er is om uit te leggen, boete te doen en vooral door durende aanwezigheid duidelijk te maken hoe de verhoudingen liggen, namelijk dat hij niet alleen al die tijd dat hij haar bedroog toch het liefst met zijn eigen vrouw wilde leven maar dat hij dat ook nu nog wil en zal blijven willen. Misschien is de tijd een nep-heler, maar in liefde en vriendschap weegt langdurigheid toch tegen veel op.

Voor mevrouw Bomans is die troost niet weggelegd. Haar verleden wordt hardhandig omgeschud en in een ander licht geplaatst, intimiteiten van haar man staan in handschrift in een tijdschrift (“dat ik in je zachte armen lag, dicht tegen je mooie vrouwenborsten”) en zij heeft niets om daar tegenover te stellen. Of ze zou haar eigen huwelijksleven op straat moeten gooien, maar dat is een weinig aantrekkelijk en zelfs nogal pathetisch alternatief. Dus moet ze stilzwijgend medelijdende, spottende, harde, hoe dan ook wétende blikken verdragen. Deze hele onthulling is bovendien ook nog eens met geniepige zorg getimed vlak voor ze het eerste exemplaar van het verzameld werk van haar man in ontvangst zou nemen.

Waarom konden Renate en Maria niet voorgoed zwijgen? Maria maakt in het interview dat haar wordt afgenomen beslist geen onsympathieke indruk, integendeel. Ze is, zo te horen, ook niet uit op wraak. Maar misschien is ze het in zekere zin toch, net als Renate dat wel degelijk was. Er is iets vernederends aan, om geheim te zijn. Liefde heeft ook een trotse kant: trots op de geliefde niet alleen, maar ook trots op zijn gevoelens en op het eigen gevoel van liefde. Wie die liefheeft, heeft nooit gedacht dat hij of zij de enige is die met deze inzet van deze geliefde kan houden, de enige ook die de geliefde in volle omvang ziet? En wie voelt geen trots bij de gedachte uitverkoren te zijn door nu juist deze ene, zo bijzondere?

Wie verliefd is op iemand die beroemd is, is ongetwijfeld nog veel trotser vanwege de bewondering van de rest van de wereld, of de rest van Nederland in genoemde gevallen. Maar een geheime minnares mag van die trots geen blijk geven. Terwijl de aandrang om het van de daken te schreeuwen zo groot is. Als er niet geschreeuwd mag worden, is dan vereeuwigen niet het minste wat er gedaan kan worden? Om de gekwetste trots te herstellen, om de geïnvesteerde tijd te rechtvaardigen, om het eigen, schijnbaar lange tijd zo eenzame of toch in ieder geval manloze leven in een ander licht te stellen.

De brieven van Bomans aan Maria hadden niet in Vrij Nederland horen te staan, maar nu ze er toch stonden heb ik ze wel gelezen. En wat een aardige brieven zijn het, wat lijkt het voor de hand liggend en gemakkelijk om verliefd te zijn op de man die deze brieven schreef. Maria vertelt dat ze dat vroeger eigenlijk niet zag, hoe hartelijk die brieven waren, want dat ze alleen maar wachtte op 'dat ene magische woord dat alles anders zou maken'. 'Anders' betekent in dit geval natuurlijk 'echt', niet langer geheim maar openbaar, bestaand. Maar dat ene woord staat nooit in die brieven, hoeveel aardigs er verder ook in staat (“'t is net of je denkt dat ik je in de steek laat, al zou je nooit meer werken, dan kun je nog als een vorstin leven, want ik heb 50.000 gulden, en die mag je allemaal hebben”). Het uitblijven van dat ene woord, het woord dat ook Carmiggelt nooit sprak, wordt nu gecompenseerd door alle andere woorden wel openbaar te maken. Alles eraan is begrijpelijk, alles eraan is verkeerd, veel eraan is gemeen en miezerig en desondanks ook mooi en lief. Aan de knoop die toen in het leven gelegd is, is al niets meer te doen. Maar je mond houden kan wel. En moet ook.