Uitzonderingszone

De uitzonderingszone in Noord-Irak werd in april 1991 op suggestie van de Britse premier John Major door de Westerse geallieerden afgekondigd om de Koerdische bevolking te beschermen tegen de troepen van Saddam.

Daartoe werd het luchtruim boven Koerdisch Noord-Irak ten noorden van de 36ste breedtegraad - waar zaterdag het Iraakse leger weer binnenmarcheerde - verboden verklaard voor Iraakse vliegtuigen en helikopters. Daarmee richtte Saddam immers een bloedbad aan onder de Koerdische bevolking, die de Koerden waren begonnen na de Iraakse nederlaag in Koeweit.

De geallieerden, opgelucht dat de Golfoorlog goed was afgelopen, waren met enige tegenzin in actie gekomen nadat de Koerdische burgerij massaal naar de Turkse grens was gevlucht om aan Saddams woede te ontsnappen.

Door de uitzonderingszone, die niet in een resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties is verankerd, te creëren waren de geallieerden in staat de Koerden te verleiden naar hun woonplaatsen terug te keren.

Tot op de dag van vandaag voeren vliegtuigen uit de VS, Frankrijk en Groot-Brittannië vanuit de Turkse basis Incirlik verkenningsvluchten boven het gebied uit om de veiligheid van de Koerden te garanderen. Turkije heeft in toenemende mate moeite met de formule, die volgens Ankara de Turkse Koerden een vrijplaats verzekert.