Sopraan Gabriele Schnaut zingt Wagnerscènes op gala-concert van het Residentie Orkest; 'Bijna tegen mijn zin zing ik zwaar-dramatisch'

De sopraan Gabriele Schnaut, vorig jaar bij de Nederlandse Opera de ster in Strauss' Die Frau ohne Schatten, zingt vrijdag tijdens een Gala Concert van het Residentie Orkest naast de bariton Falk Struckmann operascènes van Wagner.

Gala Residentie Orkest met o.a. Gabriele Schnaut: 6/9 Dr. Anton Philipszaal Den Haag.

Gabriele Schnaut haalt gelaten haar schouders op. “Ik ben een zangeres voor het podium. Ik heb de zaal nodig, de opwinding, de spanning van het moment. Aangespoord door anderen heb ik een tijdlang een platencarrière nagejaagd en vooral opnames gemaakt waarvan ik later spijt kreeg.

“Mijn Fidelio bijvoorbeeld. Iedereen zei dat het een grote kans was, Leonore zingen voor zo'n belangrijk platenlabel als Decca. Maar het was te vroeg. Ik kende de rol wel, maar was er niet mee vergroeid. Daar komt bij dat ik me in de studio eigenlijk nooit op mijn gemak voel. Je wilt zó graag op je allerbest zingen dat je verkrampt raakt. Ook heb ik vaak moeten horen dat een grote stem als die van mij niet goed op te nemen valt. Lang heb ik gedacht dat het zo was, en dat maakte me onzeker. Maar het is onzin. De stem van Birgit Nilsson hebben ze nooit goed op de plaat gekregen, dat is waar, maar tegenwoordig zijn de opnametechnieken geavanceerd genoeg.”

De stem van Schnaut is groot - in alle betekenissen van het woord. Ruim twintig jaar zingt deze Duitse operazangeres, maar furore maakte ze pas toen ze tien jaar geleden afscheid nam van het mezzo-repetoire en zich op de zwaardramatische sopraanpartijen stortte: Strauss' Elektra, Puccini's Turandot, Wagners Isolde, Sieglinde en Brünnhilde. Afgelopen seizoen debuteerde ze in de laatstgenoemde rol in de Metropolitan Opera in New York en zong ze bij de Nederlandse Opera de rol van de Färberin in Strauss Die Frau ohne Schatten.

De heftigheid van deze partijen blijft in de interpretaties van Schnaut niet aan de oppervlakte, maar lijkt diep van binnenuit te komen. Met haar verbluffend dramatisch instinct zet ze geloofwaardige vrouwen neer, vol tegenstrijdigheden - agressief èn lijdzaam, hard als staal, plotseling kwetsbaar als een klein meisje. Soms zingt ze emotioneel op het hysterische af, terwijl ze tegelijkertijd gevangen lijkt in een soort autisme. Met haar reusachtige stem en formidabele aanwezigheid belichaamt Schnaut de paradox van de opera: haar personages stijgen ver uit boven iedere werkelijkheid, maar de zangeres weet de menselijke dimensies ervan voelbaar te maken.

Het seizoen dat Gabriele Schnaut achter zich heeft, was zwaar - Die Frau ohne Schatten had ze niet eerder gezongen en studeerde ze speciaal voor Amsterdam in - het komende wordt nog zwaarder. Ze ziet er niet tegenop, integendeel, Schnaut spreekt als iemand die van een zware last bevrijd is.

“Zo'n twee jaar geleden belandde ik in, nou ja, een crisis zou ik het niet willen noemen. Ik kreeg problemen met mijn stem. Er schortte iets aan mijn intonatie en in de hoogte had mijn stem de neiging schril te klinken. Met dat laatste had ik zelf aanvankelijk niet zo'n moeite, ik hield ervan die hoge noten de ruimte in te schieten, maar hoog en hard als ze klonken, mooi was het niet altijd. Ik heb altijd succes gehad, maar er werd door critici ook altijd een klein voorbehoud gemaakt. Zelf had ik die aarzeling ook. Er zat meer in mijn stem dan eruit kwam. Nadat ik Brünnhilde had gezongen in de Ring-produktie in Parijs, ben ik teruggegaan naar mijn oude lerares en heb maandenlang alleen maar liederen met haar gestudeerd. Ik ben blij dat ik het gedaan heb, want nu beheers ik mijn stem.”

Schnaut heeft al lang een ongemakkelijke relatie met haar stem. “Je kunt zeggen dat mijn stem, bijna tegen mijn zin in, gekozen heeft voor het zwaar dramatische genre. Ik ben geen zangeres geworden omdat zingen alles voor me is. Dat is het theater. Op mijn zesde kreeg ik van een oom een viool in mijn handen gedrukt, en ik scheen talent te hebben, maar de eerste jaren haatte ik het. Acteren wilde ik, balletdansen oook. Na mijn eindexamen wist ik niet wat ik moest doen. Toneelschool mocht niet van mijn vader, dus koos ik voor medicijnen, maar ik werd uitgeloot. Toen ben ik viool gaan studeren aan het conservatorium. Zang kwam daar pas later bij als bijvak. Na drie weken les, koos ik Feldeinsamkeit van Brahms, een van de moeilijkste liederen die er zijn. 'Jij moet zangeres worden', zei mijn leraar toen hij me hoorde zingen. Dat was het moment dat de stukjes van de puzzel in elkaar pasten: de expressie van het ballet, het acteren en de muziek.”

Schnaut begon als mezzo-sopraan. “Ik wist dat ik op een gegeven moment zware sopraanpartijen zou gaan zingen. Het wachten was op het juiste moment voor mijn stem. Ik zong mezzo-rollen bij de opera van Mannheim en werd ongeduldig. Ik zag allerlei generatiegenoten bliksemcarrières maken, terwijl ik voor mijn gevoel vast zat in Mannheim. Achteraf begrijp ik dat die periode goed voor me geweest is, niet alleen voor mijn stem. In New York waren ze dit voorjaar verbaasd dat ik in Bayreuth een Walküre en een Norn was geweest in de befaamde Ring-produktie van Patrice Chereau. Het komt niet vaak voor dat een zanger na twintig jaar nog eens debuteert.”

Schnaut klaagt niet over regisseurs. “Ik neem geen vaste interpretatie mee naar een nieuwe produktie, ik heb niet één stijl, niet één Isolde, één Elektra. Ik probeer steeds opnieuw voor alles open te staan. In Parijs werkte ik met Pierre Strossner, die alles klein wilde houden. Toen ik tijdens de eerste repetitie als Brünnhilde losbarstte met 'Hojoto, Hojoto' riep hij meteen 'C'est trop!'

Het was niet mijn eerste Ring in Parijs, maar het was alsof ik helemaal opnieuw begon. We deden een hele ochtend over de vijf regels recitatief voor Brünnhildes slotzang aan het einde van Götterdämmerung. De partijen die ik steeds weer zing beschouw ik als goede vrienden, die ik eens in de zoveel tijd ontmoet. En dan blijkt altijd dat we in de tussentijd allebei veranderd zijn. Met de operaregisseur Günther Kremer werk ik al twaalf jaar. We hebben samen veel beleefd, maar iedere keer wanneer we aan iets nieuws beginnen, staan we elkaar op het toneel afwachtend te besnuffelen als wilde dieren.''

Dat Schnaut zich probeert open te stellen voor de opvatting van regisseurs, wil niet zeggen dat ze ook meegaand is. Wil ze een rol goed spelen, dan moet die voor haar invoelbaar zijn. “In de laatste acte van Turandot, die na de dood van Puccini deels door Alfano is gecomponeerd, zit een aria die vaak wordt weggelaten omdat hij moeilijk te zingen is. Er zitten veel lage noten in en het eerste deel van de partij ligt juist hoog. Toen ik in Düsseldorf gevraagd werd voor die rol, heb ik als voorwaarde gesteld dat die aria weer ingevoegd zou worden.

“Turandot is een tweedimensionale figuur, maar in die tweede aria van haar maakt ze wel duidelijk waarom ze doet wat ze doet. Die plotselinge omslag aan het einde, van ijsprinses naar dolverliefde vrouw, dat lukt me alleen wanneer ik duidelijk kan maken dat ze al bij de eerste blik voor Calaf gevallen is. Ze weet dat hij haar grote liefde is zodra ze hem ziet, maar het duurt tot aan het einde voor ze het toegeeft. Dat is dramatisch geloofwaardig. Zonder die laatste aria is ze een cliché.

“In de Lohengrin die Werner Herzog in Bayreuth regisseerde, heb ik de scène waarin de Ortrud de oude goden aanroept haar te helpen bij haar wraak met mijn rug naar de zaal gezongen, terwijl ik in het water stond. Iedereen vond dat aanvankelijk dom, ze dachten dat ik een dramatisch moment verspeelde. Mij leek het dramatisch om juist in een vlaag van verstandsverbijstering de zee in te lopen en me tot de maan te richten. Eindeloze discussies, maar het werkte heel goed. Alleen viel ik wel een keer hard op mijn achterste toen Elsa, gezongen door Cheryl Studer, me riep en ik het water uitrende. Na een van de voorstellingen vroeg een vrouw me hoe ik zo verschrikkelijk kon zijn op het toneel en zo aardig in het echt. Ik heb haar geantwoord dat ik zo aardig kon zijn omdat ik op het toneel zo vreselijk was.”