Nieuw hart Rotterdam haast te uitbundig

“Rotterdam heeft een nieuw hart”, jubelde de gemeente dit weekeinde. In het drukste deel van de stad ging de verdiepte Beurstraverse open. Of, met typische Rotterdamse poëzie, 'de Koopgoot'. Het project moet het winkelhart van Rotterdam revitaliseren. Want dat was aan een bypass-operatie toe.

Twee jaar lang gaapte rond de Coolsingel een bouwput van 500 bij 250 meter. Tientallen vrachtwagens en trailers stonden aan de stadsrand klaar om volgens het 'just in time'-principe materieel te brengen of puin te laden. Al die tijd bleef de Coolsingel met pijn en moeite open. Nu de stofwolken zijn opgetrokken, liggen er achttienduizend vierkante meter nieuwe winkelruimte, nieuwe warenhuizen, parkeergarages, een woontoren en een nieuw metrostation.

Achter drumband Beatrix en minister-president Kok marcheren zaterdagochtend zo'n duizend zakenlieden en politici de verdiepte winkelpassage van het nieuwe Beursplein binnen. Twee delegaties trekken onder leiding van Kok 'de beurs open'. Als de metershoge portemonnee zich opent, dwarrelen gouden en zilveren ballonnen de hemel in. Het nieuwe Beursplein, een publiek-private samenwerking van 600 miljoen gulden, kan winst gaan maken.

Het Beursplein en omgeving is een zwakke schakel in de binnenstad. Op dit kruispunt van twee drukke winkelassen regeerde de chaos. Wekelijks liepen zo'n driehonderdduizend mensen zich vanaf de Oldebarneveltplaats - een wirwar van tramlijnen, patatzaken en kale grasveldjes - stuk op het drukke verkeer van de Coolsingel. Aan de overzijde verdrongen warenhuizen zich rond het Beursplein, met aan hun voet een warboel aan eettentjes en marktkraampjes. Een erfenis van het radeloze streven naar knusheid uit de jaren zeventig, jeugdpuistjes op Rotterdams betonnen gelaat.

De blokkendozen rond het Beursplein zijn nu opengewerkt, voorzien van glazen façades en gevels met stippelpatronen die agressief het plein op springen. Alleen het nieuwe C&A-gebouw is met zijn gesloten zijgevel de strenge Rotterdamse wederopbouw-traditie nog een beetje trouw gebleven. Het spectaculairste onderdeel vormt echter de 'Beurstraverse', een verdiepte winkelstraat die in een lange slinger onder de Coolsingel door loopt. De ballustrades zijn voorzien van lichtbruin travertin. De Amerikaanse ontwerpers hebben het marmer extra ruw gemaakt om de indruk van oude vestingmuren te versterken. In het plaveisel zijn fonteintjes en bedriegertjes verwerkt.

Waar de Coolsingel de traverse overkapt, is alles in het werk gesteld om claustrofobie te vermijden. Daardoor zijn ondergrondse winkelcentra in het verleden immers verloederd. Op het overdekte deel van de traverse zijn lichtjes in de vloer aangebracht, zodat het publiek niet naar het lage plafond kijkt, maar naar de grond. De belichting reageert op het weer buiten: bij helder weer is het binnen ook licht, bij somber weer schemert het ook onder de Coolsingel.

Om verloedering te voorkomen, lopen er rond het Beursplein permanent dertig 'veiligheids-hostesses' rond. Voor deze Melkertbanen komen alleen vrouwen in aanmerking. In de beveiliging van het Beursplein is daarnaast zeven ton geïnvesteerd. De winkeliers beschikken over liefst drie alarmknoppen. Met knop één komen de 'veiligheids-hostesses' irritante jongeren wegbonjouren, met knop twee halen medewerkers van de Nederlandse Veiligheidsdienst betrapte winkeldieven op, met knop nummer drie wordt bij overvallen alarm geslagen in de meldkamer van de politie.

“De allerduurste winkelpassage van Nederland”, kraait marketing-manager R. Dasbach van Multi Vastgoed. “Tweeduizend gulden per vierkante meter! Een toilet van twee vierkante meter kost vierduizend gulden per jaar!” Twee dagen voor de opening van het Beursplein vullen jongeren de rekken van de Virgin Megastore (“De grootste van Europa!”). Sommige winkels zijn al open, elders werken bouwvakkers in ploegendienst 24 uur per etmaal door om de zaak op tijd klaar te krijgen. Dasbach rent al ratelend van winkel naar winkel, trekt elke paar minuten zijn piepende zaktelefoon te voorschijn. “Wat een gefuck zeg. Dan doet we dus echt niet”, brult hij in de hoorn. Een seconde later glimlacht hij gelukzalig: “Heerlijk, heerlijk, ik geniet met volle teugen. Jaren gewerkt, het is bijna af.”

De deelnemers aan het project hebben lang nagedacht over 'branchering'. De traverse is “geen PC Hoofdstraat”, beseften ze. Daarvoor liggen de huurprijzen en het aantal passanten te hoog. Anderzijds wilde men het Kalverstraat-effect vermijden, dat Nederlands' drukste winkelstraten tot inwisselbare rijen textiel- en fast foodvestingingen heeft herschapen. “We stellen strenge eisen op het punt van presentatie en ondernemerschap”, zegt Dasbach. “MacDonalds kwam er bij ons niet in, wat ze ook probeerden.”

Naast de Beurstraverse ligt een passage van twee verdiepingen, de 'Mall' gedoopt. “Jong, Angelsaksisch, wild”, zo typeert Dasbach deze glazen jungle van kromme spanten en pilaren. Modezaak Hennes & Mauritz, Björn Borg, een Virgin Megastore, een tientallen meters lange espressobar van SegaFredo en 'cybercafé' Siberia zijn de opvallendste huurders. Aan de andere kant herbergt het nieuwe V&D gebouw een gelaagde winkelpassage rond een ruim atrium. “Sophisticated, Frans-Medditerraan, licht conservatief”, moeten hier volgens Dasbach de sleutelwoorden zijn. Bij V&D zijn ook plannen voor een opvangruimte waar winkelende ouders hun kinderen kunnen stallen, een 'KidsPark'. De ouders krijgen dan een buzzer mee voor het geval hun kroost problemen oplevert.

Het nieuwe Beursplein biedt een vrolijke anarchie van vormen en kleuren, haast te uitbundig voor Rotterdam. Wie de hoek van de Lijnbaan naar het Beursplein omslaat, belandt van Drachten in Disneyland. Het contrast vervult ook de ondernemers aan de Lijnbaan met zorg. Na de opening van het Beursplein liggen ze nog wel op de wandelroute van het winkelende publiek, maar het hart van Rotterdam is de Lijnbaan niet langer.

In de jaren vijftig markeerde de Lijnbaan de wedergeboorte van het Rotterdamse centrum. Een kaarsrechte wandelpromenade, omzoomd door uniforme winkels met magazijnen van twee verdiepingen hoog, gelegen in een dal tussen woonflats. Het concept kreeg overal navolging, maar het orgineel oogt na veertig jaar nogal verlopen. Plannen voor de revitalisering van de Lijnbaan - door overdekking of aanleg van een extra wandelniveau - strandden begin jaren negentig op de versnipperde eigendomsstructuur. De winkelpanden zijn vaak in handen van eigenaars die hun huur opstrijken en niet warm lopen voor dure innovaties. Opgeschrikt door de komst van het Beursplein hebben ze dit jaar aan een bescheiden face-lift meebetaald. Het is iets, maar niet voldoende.

Bij het Beursplein zal de gemeente de fout van de Lijnbaan niet herhalen. Het eigendom van de winkelpanden blijft stevig in handen van een concern, waarin naast de investeerders ING en Focas de gemeente Rotterdam een aandeel van 15 procent houdt.

Niet alleen de Lijnbaan, het hele Rotterdamse centrum lag onder druk toen de plannen voor het Beursplein eind jaren tachtig vaste vorm kregen. De koopkracht vloeide al jaren gestaag van het centrum naar de rand. De concurrentie bestaat daar uit kleinere winkelcentra in Schiedam of Spijkenisse, of uit 'weidewinkels' met een groot vloeroppervlakte, weinig personeel en veel parkeerruimte. De weidewinkels beconcurreren de moeilijker bereikbare warenhuizen in het centrum, terwijl het 'Kalverstraat-effect' ervoor zorgde dat het stadscentrum de kopers steeds minder extra konden bieden. In Spijkenisse heeft men immers ook een Blokker, C&A of Hema.

Uit een 'Winkelatlas' die twee jaar geleden in opdracht van de provincie Zuid-Holland werd vervaardigd, bleek dat kleine winkelcentra hun positie nog altijd versterken ten koste van het centrum. Het marktaandeel van Rotterdam-centrum binnen Zuid-Holland liep volgens dit onderzoek terug van 14,4 procent in 1978 via 11,5 procent in 1988 tot 9,1 procent in 1994. Binnen de Rotterdamse regio deden in 1978 nog 41 procent van de mensen hun aankopen in het centrum, maar in 1994 slechts 29 procent.

De groei van winkelconcentraties aan de randen van grote steden is sinds medio jaren zeventig in Nederland door strakke regelgeving beperkt tot meubelboulevards, bouwmarkten en zaken in 'volumineuze goederen' als auto's en caravans. Dit soort winkels passen qua ruimtebeslag toch al nauwelijks in stadscentra. Na 1992 is evenwel de mogelijkheid voor vestiging van winkelcentra verruimd. Geconcentreerde grootschalige detailhandelsvestigingen (GDV's) zijn sindsdien in de dertien stedelijke knooppunten toegestaan. GDV's zijn concentraties van zaken die elders niet genoeg kunnen uitbreiden. Het minimale vloeroppervlak dient 1.500 vierkante meter te zijn. GDV's mogen alleen op zogeheten B-lokaties komen, die zowel met de auto als het openbaar vervoer goed bereikbaar zijn.

De eerste Nederlandse GDV ligt ten oosten van Rotterdam. Ze bestaat uit het oudere winkelcentrum Oosterhof, inmiddels omgedoopt tot Alexandrium I. Het pas geopende Alexandrium II biedt vijftien mega-winkels als Xenos, Toys 'R' Us en Dump 2000, terwijl Alexandrium III de grootste woonboulevard van Nederland gaat worden. Een peiling van de onderzoekers Gantvoort en Guyt van de afdeling Bouwkunde van de TU Delft indiceert dat het Alexandrium-complex nog een te lage omzet draait, en die grotendeels uit het stadscentrum wegzuigt. Door de week gaat 34 procent van de omzet van Alexandrium ten koste van het stadscentrum, op zaterdag een kwart.

Al presenteert elk nieuw winkelcentrum zich graag als aanvulling en verrijking op het bestaande arsenaal, een gulden kan nog steeds maar eenmaal worden uitgegeven, aldus onderzoeker J. Gantvoort. “Ik betwijfel of GDV's het centrum op lange termijn bedreigen. Je krijgt zo'n rij megastores die qua assortiment geen bal met elkaar te maken hebben. Als je kleren wil kopen, ga je toch liever naar een centrum, waar je het aanbod van diverse winkels kan vergelijken.”

Toch naar het stadscentrum dus. Het nieuwe Beursplein lijkt voor het Rotterdamse winkelhart van belang om een belangrijke groep winkelaars te binden: de 'funshoppers'. Dagelijkse boodschappen doet de consument dicht bij eigen huis of werk. De stad moet het vooral hebben van diversiteit en kwaliteit, van luxe-aankopen, waarvoor het publiek de tijd neemt en het aanbod van winkels vergelijkt. De centra van grote steden bedienen die markt nog altijd het best. Maar in tegenstelling tot steden met een historisch, sfeervol centrum, moet Rotterdam zichzelf daarbij steeds opnieuw uitvinden. “Rotterdam is weer twee jaar een bouwput geweest”, zegt J. Schrijnen van stedebouw en volkshuisvesting. “Nu moeten we de zaak verzilveren. Public relation en beheer zullen nu in het centrum een tijdje belangrijker moeten zijn dan verder bouwen.”

Niet iedereen wordt enthousiast bij de aanblik van het nieuwe Beursplein. Het Masterplan voor het Beursplein door architect Pi de Bruijn geldt als onomstreden, de kritiek betreft met name de frivole aankleding van de Beurstraverse door het Amerikaanse ontwerpbureau The Jerde Partnerschip. De Welstandscommissie, die adviseert over de kwaliteit van de Rotterdamse architectuur, protesteerde. Efteling-architectuur was nog een vriendelijke kwalificatie.

“Rotterdam heeft in de wederopbouw gekozen voor de moderne beweging”, zegt Schrijnen. “Op het Beursplein is daarentegen gekozen voor warmte, knusheid, niet voor de zakelijkheid van de Lijnbaan. Maar tegenover de strakheid heeft in Rotterdam toch ook altijd al een soort mondainiteit gestaan. Ruime, sjieke, joyeuze gebouwen zoals De Doelen.”

Het Beursplein getuigt dan wel niet van onberispelijke smaak, maar het is design. Dus tijdelijk. Schrijnen, hoopvol: “Over tien jaar slopen we die ballustrades misschien wel weer.” Tot die tijd blijft het nieuwe Beursplein een Eldorado voor de 'funshopper' van de jaren negentig. En die wenst niet langer Lijnbaan-achtige helderheid, licht en ruimte, maar barok gekrioel van vormen, beelden, geluiden en kleuren.