Leger blijft in Indonesië van de partij

De recente ongeregeldheden in Indonesië hebben de aandacht gevestigd op de politieke rol die de strijdkrachten in het land spelen. Als president Soeharto van het toneel verdwijnt, zal die rol alleen maar groter worden, meent Harold Crouch.

Al sinds president Soeharto de macht overnam van de eerste Indonesische president, Soekarno, vormen de strijdkrachten de ruggengraat van het regeringsgezag. Soeharto is een voormalig generaal van het leger, en het is heel gewoon dat militairen worden benoemd in hoge functies: ministers, hoge ambtenaren, regionale gouverneurs, ambassadeurs of directeuren van staatsbedrijven.

Om hun politieke rol te rechtvaardigen hebben de strijdkrachten een theorie opgesteld die bekend staat als de 'tweeledige functie'. Volgens deze leer hebben zij naast een militaire ook een sociaal-politieke verantwoordelijkheid, met een permanent recht - ja zelfs de verplichting - om aan het landsbestuur deel te nemen.

Die leer is voortgekomen uit de ervaringen die het leger had opgedaan tijdens de nationalistische revolutie tegen het Nederlandse koloniale bewind, eind jaren veertig, toen officieren tegelijk als militaire en politieke leiders optraden. Na de overdracht van de macht eisten de officieren politieke zeggenschap voor zich op, wegens hun inspanningen en offers in de strijd voor de nationale vrijheid.

Soeharto's generatie van vrijheidsstrijders verdween echter begin jaren tachtig uit actieve militaire dienst en werd vervangen door academisch opgeleide, professionele officieren. Zij kunnen zich niet beroepen op persoonlijke offers in de revolutie als grond voor zeggenschap in het tijdperk ná Soeharto.

De leer van de 'tweeledige functie' stelt niet dat de strijdkrachten altijd een dominante rol in het landsbestuur moeten houden. De militaire ideologen onderscheiden drie niveaus van politieke participatie: leiding vanaf het front, vanuit het midden en vanuit de achterhoede. Toen president Soeharto aan de macht kwam, gaven de strijdkrachten leiding vanaf het front, maar in de jaren negentig, zo zeggen ze, leiden ze vanuit de achterhoede.

De afgelopen jaren heeft president Soeharto de rechtstreekse invloed van de militairen in de regering verkleind. Hoewel belangrijke portefeuilles zoals Defensie en Binnenlandse Zaken nog altijd in beheer zijn bij oud-militairen, worden er toch steeds vaker burgers benoemd als ministers, hoge ambtenaren en gouverneurs.

In de eerste tijd van zijn bewind deelde Soeharto de macht met zijn militaire collega's, maar nu zijn de strijdkrachten als instelling duidelijk ondergeschikt aan de president. De militaire leden van zijn kabinet zijn niet benoemd door de strijdkrachten maar worden geselecteerd door Soeharto zelf. Officieren die hem mishagen worden naar willekeur ontslagen, terwijl veel van de huidige kopstukken afkomstig zijn uit de gelederen van hen die hem persoonlijk als adjudant hebben gediend.

Zullen de strijdkrachten na het tijdperk-Soeharto proberen hun politieke macht te heroveren? De geleidelijke versterking van het civiele element in de regering, de afgelopen tien jaar, heeft geleid tot speculaties dat president Soeharto wellicht bezig is de weg te effenen voor een burger als opvolger. De proef op de som zal worden genomen in maart 1998, want dan komt de duizend leden tellende Volksadviesraad bijeen om de president en vice-president te kiezen. Soeharto zal dan 77 jaar zijn. In brede kring wordt aangenomen dat hij zich, als zijn gezondheid het toestaat, opnieuw kandidaat zal stellen voor een zevende termijn van vijf jaar. Mogelijk zal hij een burger als vice-president en gedoodverfd opvolger nomineren. Maar zullen de strijdkrachten een burger als president aanvaarden?

Natuurlijk is er geen eenvoudig antwoord te geven op deze vraag, maar het heeft er alles van dat de strijdkrachten een belangrijke politieke factor zullen blijven. Hun macht stoelt grotendeels op hun territoriale structuur. Ze zijn niet primair georganiseerd om het land te verdedigen tegen externe agressie, maar om binnenslands de veiligheid te handhaven. Ten minste tweederde deel van het leger is over heel Indonesië verspreid in territoriale eenheden die overeenkomen met de bestuurlijke regio's.

Deze eenheden zijn niet alleen verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde maar moeten er ook op toezien dat politieke partijen, non-gouvernementele organisaties, religieuze groeperingen en arbeidersbonden geen politieke oppositie mobiliseren. De militaire aanwezigheid strekt zich uit van Jakarta tot afgelegen nederzettingen en intimideert alle potentiële tegenstanders van de regering.

Toen president Soeharto medio dit jaar concludeerde dat de Indonesische Democratische Partij, aangevoerd door de dochter van zijn voorganger, Megawati Soekarnoputri, zich wellicht tot een serieuze tegenkracht zou kunnen ontwikkelen, droeg hij de minister van Binnenlandse Zaken en de militaire leiders op een einde aan haar voorzitterschap te maken. Dat bewijst dat de strijdkrachten nog steeds een vaste greep hebben op de politieke ontwikkelingen.

Na Soeharto zal een nieuwe president niet meer hetzelfde persoonlijke gezag uitoefenen over de strijdkrachten, die dan hun eigen doeleinden kunnen gaan nastreven. En mocht Soeharto worden opgevolgd door een burgerpresident, dan zal die op zijn zachtst gezegd gevoelig zijn voor pressie van militaire zijde.