Kritiek en lof op elitaire tendens aan universiteiten

MAASTRICHT, 2 SEPT. De Nederlandse universiteiten leven zich te veel uit in studieprogramma's voor de beste studenten. Deze “anti-egalitaire wind” leidt tot een steeds grotere kloof tussen haves en have-nots.

Dit zei dr. K.L.L.M. Dittrich, voorzitter van de Universiteit Maastricht, vanmiddag bij de opening van het academisch jaar. Dittrich verwijt zijn collega-bestuurders een te grote nadruk te leggen op selectie als gevolg van de beperking van studiefinanciering tot vier jaar en de maatschappelijke eis van 'value for money'.

De universiteiten snijden zichzelf in de vingers omdat de top juist gedijt op een brede laag, meent Dittrich. Zijn uitlatingen wijzen op tweespalt binnen de academische veste. De universiteiten van onder andere Leiden, Utrecht, Delft en Rotterdam staan zich er juist op voor de excellente studenten liefst zo snel mogelijk speciale topprogramma's te geven.

Dittrich: “Politiek en universiteiten lijken verwikkeld in een haasje-over waarin niet langer de belangen van veel jonge mensen overheersen, maar de scoringsdrift om de absolute top te identificeren. De brede laag die nodig is om de top te laten gedijen, verdwijnt daarmee naar de achtergrond. Kwaliteit heeft tijd nodig.”

Dittrichs betoog stak schril af tegen de redes van andere universiteitsbestuurders. In verschillende steden klonk juist de roep om meer selectie tijdens de universitaire studie en om meer variatie in korte en lange studies, soms gecombineerd met de wens tot privatisering. Voorzitter J.G.F. Veldhuis van de Universiteit Utrecht: “Een nationaal publiek stelsel en een beleid van gelijke ontwikkelingskansen kunnen door een gebrek aan differentiatie en profilering leiden tot middelmatigheid, dat wil zeggen tot een gebrek aan kwaliteit en vooral topkwaliteit. Zeker in het wetenschappelijk onderwijs is dit onaanvaardbaar.”

Elke universiteit met een studieprogramma voor bollebozen wenste zich bij monde van haar universiteitsbestuurder vanmiddag een topuniversiteit. Voorzitter dr. N. De Voogd van de Technische Universiteit Delft kondigde een vervolgopleiding aan voor studenten die met uitstekende resultaten een driejarige universitaire opleiding hebben voltooid. De Universiteit Leiden wees op Engelstalige graduate-opleidingen voor geschiedenis en rechten. En voorzitter Veldhuis rechtvaardigde de plannen voor zijn Utrecht University College, “een interdisciplinaire, internationale driejarige elite-opleiding voor studenten die qua intellect en motivatie tot de besten behoren.”

Weinig steun kreeg Dittrich ook van minister Ritzen (Onderwijs), die als gastspreker in Leiden de contouren schetste van de ideale universiteit in 2010. Talent telt bij selectie, benadrukte hij, maar de ideale universiteit zoekt onafgebroken naar het scheppen van kansen voor ondervertegenwoordigde groepen, zoals culturele minderheden. Verder riep hij universiteiten op de eigen afgestudeerden pas aan te stellen als onderzoeker of docent als zij elders werkervaring hebben opgedaan. “Anders dreigt het risico van inteelt”, aldus de minister.

Eenstemmige kritiek klonk op de rol van de alma mater. De universiteit schiet tekort als venster op de wereld, hielden verschillende sprekers hun gehoor voor. De studies zijn te specialistisch, slagen er te weinig in de ingewikkelde werkelijkheid te verhelderen, leggen onvoldoende basis voor de noodzaak een leven lang te leren. Wil de universiteit een maatschappelijk aanspreekpunt blijven, dan moet kennis meer vanuit vaardigheden benaderd worden, zo klonk het het in verschillende universiteitssteden. In de woorden van CNV-voorzitter A. Westerlaken, te gast bij de Katholieke Universiteit Nijmegen: “Staart men zich niet blind op vakinhoudelijke aspecten van het studieprogramma? Ik vrees dat studenten eerder ondanks dan dankzij de universiteit ondernemende burgers worden.”

Van alle kanten werden oplossingen aangedragen. De nieuwe rector van de Technische Universiteit Eindhoven, prof.dr.M. Rem, en zijn collega prof.dr. T.J.M. van Els van de Katholieke Universiteit Nijmegen willen in de onderwijsprogramma's meer nadruk leggen op het “leren leren”.

Minister Wijers (Economische Zaken), gastspreker aan de Universiteit Maastricht, verwacht dat meer marktwerking de broodnodige onderwijsvernieuwing brengt. “Door de grote mate van bestaanszekerheid neemt de prikkel prestaties te leveren af. Hoogopgeleiden moeten hun hele leven blijven leren. Toch nemen we waar dat nog steeds het hoorcollege, de onderwijstechnologie uit de Middeleeuwen, centraal staat in het hoger onderwijs.”

Een noodzakelijke bredere basis hoopt J.K.M. Gevers, voorzitter van de Universiteit van Amsterdam, te leggen met een nieuwe beta-gamma propedeuse. Hij signaleert op Nederlandse universiteiten “een extreme neiging tot specialisering”, die versterkt wordt door overheidsmaatregelen zoals beperking van de studiefinanciering tot vier jaar. De vraag is echter, aldus Gevers, of de “bestaande studies adequaat zijn voor de ingewikkelde wereld van morgen”. “Hebben diverse vakken werkelijk voldoende feitelijke toegang tot de relevante ontwikkelingen in wiskunde of statistiek? Wat is de algemene culturele bagage van iemand die morgen verantwoordelijkheid draagt voor mensen en maatschappelijke ontwikkelingen? Allemaal net iets te open vragen, dunkt me, met het oog op een te ingewikkelde samenleving.”

Tenslotte drongen verschillende universiteitsbestuurders er in hun redes bij de Tweede Kamer op aan akkoord te gaan met de Wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie. De wet beoogt de bestuurskracht te vergroten, zowel bij faculteiten door de introductie van een beroepsdecaan als op het universitaire niveau waarbij bevoegdheden van de universiteitsraad worden overgenomen door een medezeggenschapsraad of en ondernemingsraad. De inspraak van studenten, moeizaam bevochten in de jaren zestig, wordt afgeschaft, en vervangen door een studentenstatuut en klachtrecht in de Wet Hoger Onderwijs.

Alleen prof.dr.Th.J.A.Popma, rector aan de Universiteit Twente, vroeg zich af of de nieuwe wet evenwicht brengt tussen individuele en academische vrijheden en de noodzakelijke hierarchie. “Ik mag hopen dat het proces niet uitmondt in schijnbaar verbeterde bestuurbaarheid ten koste van academische vrijheid. Dat gevaar dreigt bij het ontbreken van wetenschappelijke professionaliteit van voldoende gewicht.”