Koerden op zoek naar staat zijn speelbal van regio

“We zijn er zeker van dat de Koerden vroeger of later bij ons terugkomen”, zei de Iraakse vice-premier Tareq Aziz eerder dit jaar zelfverzekerd in een vraaggesprek met de BBC. Hij antwoordde zo op de vraag waarom het Iraakse leger in het voorjaar van 1991 zijn opmars tegen de opstandige Koerden had gestaakt. Het resultaat was immers dat een de facto onafhankelijke Koerdische staat in het noorden van Irak kon ontstaan.

De gebeurtenissen van de afgelopen dagen gaven hem voor een aanzienlijk deel gelijk. Het Iraakse leger trok zaterdag immers op verzoek van Masoud Barzani's Koerdische Democratische Partij (KDP) de grenzen van het zogeheten Vrij Koerdistan over. De Irakezen bezetten de grote Koerdische stad Arbil en verjoegen de troepen van de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK), van Barzani's rivaal Jalal Talabani. En zij hesen, zeer symbolisch, de Iraakse vlag boven het gebouw van het onmachtige Koerdische parlement.

Nooit eerder heeft het Koerdische volk, in totaal circa 25 miljoen zielen sterk van wie 3,5 miljoen in Noord-Irak - en daarmee het grootste volk zonder eigen land - iets gehad dat zo dicht bij een onafhankelijke staat komt als Vrij Koerdistan. De grote mogendheden hadden hun in 1920 in het Verdrag van Sèvres zo'n staat in het vooruitzicht gesteld, maar die toezegging drie jaar later in het Verdrag van Lausanne weer tenietgedaan. Sindsdien zijn de Koerden - verdeeld over Iran, Irak, Turkije, Syrië en de Sovjet-Unie (Rusland) - op zoek naar hun staat de speelbal geweest van de landen in de regio. En zij hebben zich ook als zodanig laten gebruiken. Koerd bestrijdt Koerd, de Irakees in dienst van Iran, de Iraniër van Irak, of van Turkije, of van allemaal tegelijk.

De sjah van Iran leverde zijn Koerdische bondgenoten in Irak in 1975 bij het Akkoord van Algiers uit aan Saddam Hussein. De Iraakse Koerden zijn er formeel, ook onder Saddam, het best aan toe van alle Koerden: autonomie, hun taal grondwettelijk erkend - geen vergelijk met hun Turkse broeders. Tegelijk zijn zij veruit het slechtst behandeld: genadeloos vervolgd en met gifgas bestookt (1988). Maar altijd zijn er ook Koerden geweest, de Jash, die aan Saddams zijde streden.

Toen de geallieerden begin 1991 het Iraakse leger Koeweit uitsloegen, zagen de Koerden hun kans schoon en kwamen massaal in opstand tegen het regime van Saddam Hussein. Met de Iraakse gezagsdragers werden de uitstaande rekeningen bloedig vereffend. Maar de geallieerden staakten hun achtervolging van de vluchtende Iraakse troepen te vroeg, en Iraakse elite-eenheden die buiten de strijd om Koeweit waren gehouden, sloegen met zwaar geweld de Koerdische opstand neer. Er zouden 50.000 doden zijn gevallen.

In verlegenheid gebracht door de televisiebeelden van de massale vlucht van de Koerden naar de Turkse grens, besloten de geallieerden begin april 1991 een 'uitzonderingszone' af te kondigen ten noorden van de 36ste breedtegraad. Iraakse helikopters en vliegtuigen mochten daar niet opereren; vanuit de Turkse basis Incirlik hielden Amerikaanse, Franse en Britse vliegtuigen in de gaten of de Iraakse strijdkrachten zich aan de regels hielden.

Diezelfde maand nog legden de Koerdische leiders het tot veler verbijstering met Saddam bij: broederlijk omarmde Talabani Saddam in Bagdad. Talabani en Barzani zouden elkaar afwisselen in Bagdad, zoals de onderlinge rivaliteit dat dicteerde. Die heeft altijd de overhand boven de afschuw van Saddam, en zo zal dat blijven. En dat geldt ook ten aanzien van relaties met Iran. Of Turkije. Of Israel.

Daadwerkelijke gevechten tussen de KDP en de PUK begonnen in december 1993, met als inzet de lucratieve inning van tolgelden aan de grenzen van de Koerdische de facto staat. Af en toe onderbroken door een van buitenaf opgelegd bestand duurt deze strijd tot de dag van vandaag voort, en de burgerbevolking betaalt het gelag. De economische situatie in het gebied wordt steeds slechter als gevolg van de steeds weer oplaaiende gevechten. De Verenigde Naties, die er humanitaire hulp proberen te leveren, krijgen geen enkel gehoor voor hun waarschuwingen dat de donorlanden steeds minder bereid zijn hier geld in te steken. Door de voortdurende machtsstrijd is de Westerse interesse in het algemeen voor de Koerden aanzienlijk verminderd.

Intussen toonde ook Iran steeds meer belangstelling voor het Iraaks-Koerdische gebied. Enerzijds uit direct eigenbelang wegens de aanwezigheid daar van opstandige Iraanse Koerden, waarmee Teheran graag wil afrekenen. Anderzijds uit angst dat de Amerikanen hier te veel invloed krijgen. De Iraniërs wisselden bemiddelende activiteit - vorig jaar had vredesoverleg in Teheran plaats - af met wapensteun, aanvankelijk aan Barzani; nu deze (voorlopig) aan Bagdads zijde staat, aan Talabani.

De Iraanse hulp aan de PUK, onder andere artilleriesteun vanaf de Iraanse zijde van de grens, had vorige week een dusdanige omvang aangenomen, dat de Verenigde Staten zich er ernstige zorgen om begonnen te maken. De twee bestanden tussen de KDP en de PUK dat de Amerikaanse bemiddelaar Pelletreau vorige week bewerkstelligde, was met name bedoeld om een Iraanse opmars te voorkomen.

Het is mogelijk dat een soortgelijke angst de Irakezen in beweging bracht, het risico van nieuwe Westerse sancties ten spijt, hoewel het altijd moeilijk blijft Saddams precieze beweegredenen te begrijpen. Noord-Irak is natuurlijk een belangrijk oliegebied. Hier loopt bovendien de oliepijpleiding naar Turkije, waarlangs Irak vroeger of later weer olie gaat transporteren in het kader van de beperkte hervatting van zijn olie-export voor humanitaire doeleinden (als de VS dat nog toestaan onder de huidige omstandigheden).

De KDP rechtvaardigde haar hulpverzoek aan Bagdad ook met een verwijzing naar Iran. De PUK had “de natie verraden” door steun in de Islamitische Republiek te zoeken. Hulp vragen in Bagdad is kennelijk een heel andere affaire.