Diekstra in een vlucht naar voren

Bij Buitenhof mochten ze gisteren niet klagen over het begin van het tv-seizoen. Ze konden meteen van start gaan met een primeur: het eerste interview met prof. René Diekstra na de onthullingen over zijn plagiaat.

“Onnodig te zeggen dat we het erg moedig vonden dat u hier kwam”, zei Paul Witteman na het bijna een half uur durende vraaggesprek.

Het is de vraag of 'moedig' het goede woord is. Diekstra's besluit om op de tv te verschijnen, had meer weg van een vlucht naar voren in een vertwijfelde poging de sympathie van het grote publiek te winnen. Het gesprek was één langgerekte schreeuw om begrip. In zijn eerste, ongetwijfeld goed geprepareerde, zinnen werd meteen zijn hele verdedigingslinie zichtbaar: “Een van de doelstellingen die ik altijd heb gehad bij het schrijven van mijn boeken is om inzichten en handvatten door te geven, waar mensen met psychische problemen, met levensvragen, iets mee zouden kunnen, en ik heb daarbij ook geput uit de inzichten van anderen. Dat heb ik ook nooit onder stoelen of banken gestoken, maar ik heb mijn doel eigenlijk altijd hoger gesteld dan het in mijn populaire boeken weergeven van bronnen en verwijzingen.”

Goed, hij had daarbij 'slordigheden' begaan, en dat betreurde hij ten zeerste, maar hij had het alleen maar gedaan met dat ene nobele doel voor ogen: het zielenheil van zijn lezers. Ik heb het later nog eens geturfd: in totaal heeft hij acht keer naar dit doel verwezen. Op zeker moment citeerde hij zelfs mensen die hem een 'missionaris' of 'zendeling' hadden genoemd.

Mogelijke andere doelen - status, carrière, laat staan verkoopcijfers - kwamen niet ter sprake. Witteman was zo vriendelijk om ze ongenoemd te laten, waarmee niet gezegd is dat hij Diekstra voortdurend spaarde. De positie van de interviewer is bij dit soort gesprekken tamelijk hachelijk. De gesprekspartner spartelt al op de grond nog voordat het gesprek begonnen is. Hoe leg je hem het vuur na aan de schenen zonder hem nodeloos te vernederen?

Witteman vroeg op sommige momenten goed door (“Vindt u dat u onberispelijk moet zijn als professor?”), maar hij gaf Diekstra naarmate het gesprek vorderde wel erg veel ruimte voor de rol van slachtoffer. Die ellendige media - waar Diekstra in andere omstandigheden toch nooit afkerig van is geweest - hadden veel leed veroorzaakt in huize Diekstra. Zou hij de tipgever van het plagiaat aan Vrij Nederland nog ooit kunnen vergeven, vroeg Witteman. Dat wilde Diekstra wel, maar hij zou die man of vrouw toch graag willen vragen: “Waarom nou en waarom zo verwoestend?” (Als tipgever zou ik antwoorden: “Waarom zoveel pagina's?”).

In Nederland valt bij dergelijke affaires heel snel het woord 'mediahetze'. Maarten 't Hart begon er enkele uren later ook al over in het VPRO-programma De Plantage van Hanneke Groenteman. Hij vergeleek de affaire Diekstra met de rel rond de scheidsrechter Dick Jol. Een onjuiste vergelijking omdat tegen Jol nooit iets bewezen is, terwijl Diekstra zijn plagiaat in feite al toegegeven heeft, overigens pas nadat het door Vrij Nederland met onweerlegbare feiten was aangetoond.

In dit verband moet ik ook verwijzen naar het misschien wel onthullendste moment uit het interview. Als Witteman vraagt of er nog meer plagiaat in zijn werk ontdekt kan worden, verzucht Diekstra: “Daarover ben ik zo in vertwijfeling, dat ik niet uitsluit... en dat ik gewoon heb zitten te wachten...” Hij was zelf alvast begonnen zijn werk op andere sporen van plagiaat te controleren.

Burgemeester Peper van Rotterdam had er, even verderop aan de tafel van Buitenhof, met 'verbijstering' naar zitten luisteren. “Buitengewoon ernstig”, noemde hij het. Want 'wetenschap is waarheid en openbaarheid, in die combinatie.' Hij adviseerde Diekstra een lang studieverlof te nemen.

Een interessante suggestie, maar wat doen we intussen met de psychische nood in Nederland die, gezien de oplagen van Diekstra's boeken en de reacties van zijn bewonderaars, behoorlijk groot moet zijn? Kan Nederland wel zonder Diekstra? Er moet toch iemand zijn die ons troost?