Conventionele film over leven van Jean-Michel Basquiat; David Bowie speelt Andy Warhol in portret van Newyorkse kunstwereld

VENETIË, 2 SEPT. David Bowie had op het laatste moment afgezegd; en ook Courtney Love, de weduwe Cobain, was niet naar het Lido gekomen. Maar bij de première van Basquiat, een biopic over de jonggestorven schilder Jean-Michel Basquiat, waren gisteravond in elk geval twee beroemdheden aanwezig: Dennis Hopper, die een komische bijrol speelt als Newyorkse maecenas, en de schilder Julian Schnabel, die met deze film zijn debuut maakt als regisseur.

Voor zijn low-budget-film over Basquiat, een Haïtiaanse-Amerikaan die in de jaren tachtig naam maakte als 'de James Dean van de kunstwereld', wist Schnabel een reeks bekende acteurs en artiesten voor een vriendenprijs te contracteren. Naast de rocksterren Bowie en Love deden onder meer Christopher Walken, Willem Dafoe, Gary Oldman en Tatum O'Neal mee; John Cale schreef de muziek. De film werd niet alleen aangekondigd als een biografie van Basquiat, maar ook als een portret van de Newyorkse kunstwereld in de booming eighties.

De gespannen verwachtingen werden gisteren niet ingelost. Anders dan zijn reputatie als kunstenaar zou doen vermoeden, maakte Schnabel een conventionele film, die keurig de loopbaan van Basquiat volgt - vanaf begin jaren tachtig, wanneer hij in dozen slaapt en zich vooral toelegt op graffiti, tot 1988, wanneer hij als rijk en gevierd schilder aan een overdosis sterft. Natuurlijk heeft het wel iets om Bowie met een witte pruik en een lijzig stemmetje Andy Warhol te zien te spelen, of om Walken te zien zweten in de rol van een mislukte kunstjournalist; maar echt scherp of dramatisch wordt Basquiat niet, zodat het uiteindelijk de soundtrack van de film is (met veel Stones en Tom Waits) die het langst in je gedachten blijft.

Michael Collins, de andere biografische film die dit weekend in de competitie om de Gouden Leeuw vertoond werd, leed een beetje aan hetzelfde euvel. Regisseur Neil Jordan (The Crying Game, Interview with the Vampire) bewerkte het leven van de jongvermoorde Ierse guerillastrijder (die zich na zijn overwinning op de Engelsen tot staatsman ontpopte) tot een film in de stijl van Richard Attenborough - vol vaart, historische overtuigingskracht en romantiek. De titelrol wordt voorbeeldig gespeeld door Liam Neeson (een belangrijke kandidaat voor de Coppa Volpi voor de beste acteur), en er zijn mooie bijrollen van Stephen Rea, Julia Roberts en Alan Rickman. Maar bij kijkers die niet nauw betrokken zijn bij de Ierse geschiedenis, maakt de film te weinig los om twee uur en een kwartier te boeien.

This is a film made from the heart, zei Neil Jordan tijdens zijn persconferentie, waar hij zich overigens vooral moest verdedigen tegen Britse journalisten die meenden dat hij de geschiedenis van de Iers-Engelse relaties onrecht had aangedaan. Een paar uur later zag ik in een bijprogramma van het festival een film die niet alleen uit het hart kwam, maar ook rechtstreeks het hart in ging: Go Now van de Schot Michael Winterbottom, die vorig jaar naam maakte met de lesbische horror-roadmovie Butterfly Kiss. Zijn nieuwe film, die in een voorlopige versie werd vertoond, is heel wat minder extravagant. Go Now begint als een boy-meets-girl-verhaaltje dat zich afspeelt in een arbeidersmilieu van voetballers en kroegtijgers; maar dan blijkt de jongen aan multiple sclerose te lijden, en concentreert de film zich op de reacties van zijn vrienden, zijn ouders, en vooral zijn vriendin.

Go Now had gemakkelijk een larmoyante draak kunnen worden, een soort Love Story in Edinburgh. Maar Winterbottom hield maat in het sentiment, verluchtigde zijn film met stilistische grapjes en gaf ruim baan aan de rauwe Schotse humor van de kroeg en het voetbalveld. Bovendien had hij de beschikking over twee uitstekende hoofdrolspelers: Robert Carlyle ('Begbie' in Trainspotting) en de droefogige Julie Aubrey. Zij maken Go Now tot een film waar Nederland naar uit kan kijken.