Alcina: een zeldzame Händel op het podium

Voorstelling: Alcina van G.F. Händel door Nationale Reisopera en Combattimento Consort o.l.v. Jan Willem de Vriend. Gezien: 29/8 Stadsschouwburg Utrecht. Tournee t/m 27/10; 6 t/m 18/5.

Geënsceneerde voorstellingen van opera's van Händel, die er zo'n veertig schreef, zijn in ons land zeldzaamheden. Giulio Cesare en Orlando gingen twee keer, er was een gastvoorstelling van Giustino in de regie van Harry Kupfer, Acis and Galatea ging één keer. En Rodelinda, in 1973 met Joan Sutherland in de titelrol, is nog steeds legendarisch. Dát is de schamele oogst van de laatste honderdtien jaar, nu voegt de Nationale Reisopera daaraan Alcina (1735) toe, ook fameus repertoire van Sutherland.

Er zijn goede redenen om Händel niet te vaak te ensceneren. De lengte is het minste bezwaar, de rigide structuur is dat meer. Alcina bestaat uit 24 solo-aria's, omvlochten door recitatieven, dan volgt een terzet en een ensemble sluit het stuk af. De her en der gecoupeerde voorstelling duurt ruim drie uur waarin we, anders dan in de 18de eeuw, tijdens de lange aria's de overige personages in de actie betrokken willen zien. Maar die aria's leveren nauwelijks actie op, dus moet er wat zinvols worden verzonnen voor eenintrigerende uitbeelding van de emotionele problemen in de onderling relaties.

Van die heftige conflicten tussen de personages zijn er genoeg - de tovenares Alcina doet het met Ruggiero, die wordt opgeëist door Bradamante, die zich uitgeeft voor haar broer Ricciardo, terwijl Morgana's liefde voor Oronte net zo standvastig is als de wind en Oberto vergeefs hoopt zijn vader te vinden.

Regisseuse Andrea Raabe slaagt er gedeeltelijk in om dat alles treffend te verbeelden. Een aardige symbolische vondst is een verleidingsscène, waarbij Morgana een appel uit haar boezem tovert en die door Bradamente laat oppeuzelen. En intrigerend is ook de komst van de in beesten omgetoverde ex-minnaars bij Alcina's fenomenale aria Ah! mio cor, waarbij de puntige pizzicato-begeleiding lijkt verzorgd door het stekelvarken.

Maar zo aardig en aansprekelijk is het niet voortdurend. De eerste acte doet niet veel meer dan het introduceren van de personages. Pas in het tweede bedrijf ontstaat bij vlagen echte spanning als de verwikkelingen zich verknopen. De slotacte levert desolate beelden op: chaos, een puinhoop van verwoeste gevoelens, de totale ontreddering die het gevolg is van Alcina's kwaadaardige tovenarij.

Die handeling speelt zich af in een decor met coulissen en heuvels, die Alcina's eiland verbeelden. Boven het strand hangt een schelp, die alles hoort en aan ons doorgeeft. Zo'n toneelbeeld met verborgen theatertechniek (zeepbellen, vuur, verdwijnend gebladerte, vallende asvlokken) doet denken aan Karl-Ernst Herrmann, bij wie ontwerpster Saskia Zschoch assisteerde. De steen, het water en het vuur herinneren aan Pierre Audi.

Voor het overige staat of valt Händel vooral met het belang van de vocale uitvoering, zelf reisde hij voor de cast van zijn Londense theater telkens naar Italië, op zoek naar spectaculaire zangers. Dirigent Jan Willem de Vriend en zijn Combattimento Consort zorgen voor een levendige en stevige begeleiding, karaktervol en animerend, meer dramatiek dan esthetiek.

Perfectionistische pure coloratuurzangers staan hier niet op het toneel, maar sopraan Elzbieta Szmytka is in de titelrol het opmerkelijke centrum van de voorstelling, vooral dankzij indringende uitvoeringen van de twee prachtige grote aria's in de tweede acte - Ah! mio cor en Ombra pallide. Haar zingen is geen cleane vocale acrobatiek maar gedreven en doorleefd.

Ook de andere hoofdrollen worden respectabel vertolkt: Ruggiero door Etsuko Kanoh, Morgana door Karen Sourry en Bradamante door Xenia Meijer. Melisso is veel op het podium maar heeft weinig in te brengen. Hij is een eenzaam figuur, tot Romain Bischoff zingt - dan draait even alles om hem.