Zin in zinnia's

Na twaalf jaar ploeteren in de volkstuin was het deze zomer dan eindelijk zover: de tuin was een zee van bloemen. Van monnikskap tot kattekruid, vlinderstruik tot vrouwenmantel, lavatera tot valeriaan - alles stond in bloei. Het was mooier, weelderiger en romantischer dan ik me had durven voorstellen. Roze wolken marjolein geurden me tegemoet, door sluiers van thalictrum lichtte het paarse leverkruid op en achter de wal van witte phloxen flonkerden de blauwe hortensia's.

Niet dat alles nu volmaakt was. In mei had ik nog heel wat gaten gevuld met monarda en donkerrode knautia en ook was de opbouw van een der borders nog niet perfect. Vooraan, tussen de lage meisjesogen schoten ineens de ijle, witbebloemde stengels van de gaura meters de lucht in en het zeeuwse knoopje benam het zicht op de wolfsmelk. Een enkele plant had er de brui aan gegeven, zoals de phlomis, die anderhalve meter hoog had moeten worden, maar het na vijf centimer boven de grond al voor gezien hield. Maar toch stemde het resultaat van mijn geploeter voor het eerst tot diepe tevredenheid. Zelfs het tuinhuisje was deze zomer geheel achter bloem en blad van klimhortensia, blauwe regen en kamperfoelie verscholen.

Terwijl ik de idylle in me opnam, op een zonnige zaterdagmiddag in het begin van juli, werd ik door twijfel overvallen. Het was waar, mijn tuin was een sprookje, klein Sissinghurst, maar ineens besefte ik dat alles anders moest.

Het kwam door de zinnia, waarvan het beeld plotseling, onaangekondigd en onverklaarbaar in me opkwam. De zinnia, wanneer had ik die voor het laatst gezien? Misschien wel dertig jaar geleden, in de tuin van mijn jeugd. Maar ik zag de bloem nu haarscherp voor me, op haar kaarsrechte, stevige stengel met heldergroene bladeren, netjes twee aan twee boven elkaar. Bovenop de stengel de bloem, knalrood en fors, met in het hart een geel bolletje. De brede kroonbladeren, die keurig dakpansgewijs over elkaar liggen, buigen iets naar beneden zodat de bloem mooi rond opbolt.

Wie een zinnia ziet, aarzelt niet en weet meteen: daar staat een bloem, helder, duidelijk en onmiskenbaar. Getekend met de kleuren uit de viltstiftdoos. Maar wie ziet er nog ooit een zinnia? In het moderne tuinieren is de plant uit de gratie geraakt, verbannen en vergeten. In de modieuze tuin, vol wuivende vaagheid, in die zacht getinte, impressionistische aquarellen, zou de zinnia volstrekt misstaan. Als een klederdracht op een haute couture-show.

Stapels tuinboeken heb ik er op nageslagen - geen zinnia. Alleen in Deltas grote Tuinplanten Encyclopedie trof ik haar aan. In dat boek, uit 1980, wordt de zinnia afkeurend beschreven als 'een enigszins stijfjes aandoende plant', dus toen kon ze al geen goed meer doen.

Op de Amsterdamse bloemenmarkt vond ik zowaar een zakje zinniazaad. De zinnia is eenjarig en kan vanaf eind april in de volle grond worden gezaaid. Maar de bloemenman verzekerde me dat dat niet veel meer gebeurt: naar zinniazaadjes is nauwelijks vraag.

De zinnia hoort bij tuinplanten als margrieten, goudsbloemen, afrikanen, zonnebloemen en dahlia's - allemaal planten met pronte bloemen in bonte kleuren. Planten uit kindertekeningen. Planten die, in grote pollen, ordelijke rijtjes of perkjes, bij ouderwetse boerentuinen horen. Markante planten zonder pretenties. Maar ook planten die nu in menige tuin taboe zijn, omdat ze burgerlijk worden gevonden, te weinig subtiel en verfijnd en dus niet van goede smaak getuigen.

Nu zou ik de dahlia niet snel een plekje in mijn tuin gunnen. De manier waarop de bloem recht naar voren staat, als een brutaal gezicht, de puntige bloembladeren die zo vies bruin verleppen, al dat opdringerige blad eromheen - nee, de dahlia deugt niet. De veel kleinere zinnia heeft wel iets van de dahlia, maar alleen de mooie eigenschappen. De zinnia is, met haar simpele vorm, veel gracieuser. Dat geldt ook voor de margriet, de gouds- en zonnebloem, het afrikaantje en allerlei andere boerensnijbloemen.

Toen mijn buurvrouw op de volkstuin dit voorjaar afrikaantjes ging zaaien, vlak voor een grote groep zonnebloemen, dacht ik nog dat ze gek was geworden. Afrikaantjes! Maar toen ze in de zomer opkwamen en begonnen te bloeien, moest ik toegeven dat het prachtig was. Het was een hoge afrikaantjessoort met een paars-bruine rand langs de gele bloemblaadjes, zodat ze een schitterend geheel vormden met de eveneens bruin-gele zonnebloemen erachter.

Kwam het door die afrikaantjes dat ik bij het kijken naar mijn tuin ineens aan de zinnia moest denken en bevangen werd door nostalgie naar deze plant, door een verlangen naar klare vormen en ondubbelzinnige kleuren? Dat al die pasteltinten in mijn tuin, met hun subtiele schakeringen van paars, roze, blauw en wit, me plotseling tegenstonden?

Ik weet het niet, maar zeker is, dat ik volgend jaar zinnia's ga zaaien. En margrieten en wie weet, ook afrikaantjes. En ik zal de enige niet zijn. Het wordt de nieuwe trend: boerenbonte tuinen.