Vrouwen die trombose hebben gehad slikken tegenwoordig ook de pil

Het tweemaal verhoogde trombose-risico dat bij gebruiksters van derde-generatie anticonceptiepillen afgelopen winter werd geconstateerd, vergeleken met de tweede-generatiepillen waar andere progestageen werkende stoffen in zitten, ligt waarschijnlijk niet aan de nieuwe chemicaliën in de pil, maar aan veranderingen binnen de groep gebruiksters.

Daarin komen nu veel meer vrouwen voor met risicofactoren op hart- en vaatziekten dan een aantal jaren geleden. Dat concluderen dr. Ron Herings en collega-onderzoekers van de afdeling farmaco-epidemiologie van de Utrechtse universiteit en van de vakgroep epidemiologie van de Rijksuniversiteit Limburg. Herings heeft de onderzoeksresultaten afgelopen woensdag bekendgemaakt op het jaarlijkse internationale congres van farmaco-epidemiologen in Amsterdam.

Uit het PHARMO-gegevensbestand, waarin sinds 1986 de medicatie- en ziekenhuisopnamegeschiedenis van 300.000 Nederlanders is opgenomen, blijkt dat van de vrouwen in de leeftijd van 10 tot 59 jaar die diepveneuze trombose hebben gehad in 1991 en 1992 55 procent weer doorging met pilgebruik. Dat is gelijk aan het percentage van alle vruchtbare vrouwen dat momenteel de pil slikt. In '89 en '90 ging 40 procent weer aan de pil na een trombose, maar in '86 en '88 was dat percentage nog nul. De pilbijsluiters raden pilgebruik na een doorgemaakte trombose af.

Tussen 1987 en 1994 steeg het percentage pilgebruiksters onder vrouwen die medicijnen tegen de vorming van bloedstolsels slikken (coumarines) van acht naar veertig procent. Vrijwel alle nieuwe gebruiksters kregen een derde-generatiepil voorgeschreven, zodat nu vrouwen die ontstollers slikken 40% vaker een derde-generatiepil dan een tweede generatiepil slikken. De relatieve oververtegenwoordiging van de derde-generatiepil zag Herings ook bij vrouwen met andere risicofactoren voor hart- en vaatziekten zoals suikerziekte (40% meer derde-generatiepillen), hoge bloeddruk (20% meer) en extreme dikte (10% meer). Al deze risicofactoren zijn contra-indicaties voor pilgebruik maar worden tegenwoordig kennelijk minder belangrijk geacht. Herings concludeert dat de pilvoorschrijvers klaarblijkelijk minder op risicofactoren controleren: “De pil en met name de derde-generatiepil wordt veiliger geacht in vergelijking met oudere pillen. Dit was de hoofdboodschap van de wereldwijde marketing van derde-generatiepillen.”

Na 1988 is het pilgebruik met 25% gestegen en de nieuwe gebruiksters kregen bijna allemaal een derde-generatiepil. In 1994 gebruikten naar schatting 600.000 van 1,5 miljoen Nederlandse pilgebruiksters een derde-generatiepil.

Ondanks de sterke groei van het gebruik van de derde-generatiepil is het aantal vrouwen dat met diepveneuze trombose tussen 1988 en 1992 in de PHARMO-steden is opgenomen constant gebleven, ongeveer 3 per 10.000 vrouwen per jaar. Maar onder derde-generatie pilgebruiksters was het risico op trombose - net als in drie eerder dit jaar gepubliceerde onderzoeken - tweemaal zo hoog als onder tweede-generatie pilgebruiksters. Herings: 'Deze twee verschijnselen - toegenomen risico bij derde-generatie pilgebruiksters en gelijkblijvende ziekenhuisopnames voor trombose - kun je mogelijk verklaren met verminderde controle op de aanwezigheid van risicofactoren voor trombose in combinatie met de voorkeur voor het voorschrijven van derde-generatiepillen. Immers, vrijwel alle nieuwe gebruiksters van de derde-generatiepil hebben de pil voorgeschreven gekregen in de tijd waarin de pilcontrole door de arts vrijwel was afgeschaft. Maar ik weet niet of dit verschijnsel de hele stijging van het tromboserisico verklaart.''