Verwarring over lokale lasten

Het kabinet legt de laatste hand aan de Miljoenennota 1997 die officieel op Prinsjesdag, de derde dinsdag in september, wordt gepresenteerd. De fractieleiders in de Tweede Kamer bereiden zich voor op de 'Algemene en Politieke Beschouwingen'. De komende weken is voor belangenorganisaties een geschikt moment om in de media of via een 'persoonlijke' brief of notitie aandacht te vragen voor hun noden.

Zo publiceerde MKB-Nederland afgelopen week een rapport 'Stop op lokale lasten bedrijven'. MKB-Nederland beschouwt zich als de spreekbuis van ondernemend Nederland (“Ruim 120.000 aangesloten ondernemingen uit ongeveer 125 branche-organisaties en 600 plaatselijke en regionale organisaties maken de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland tot de grootste centrale belangenorganisatie voor ondernemers”, meldt het omslag van het rapport). Volgens de ondernemersclub zijn de lokale belastingen en heffingen in de periode 1993 - 1996 met bijna twintig procent gestegen.

MKB-voorzitter Wijnolst hekelt deze lastenverzwaring, omdat deze haaks staat op het beleid van de rijksoverheid waarbij de belasting- en premiedruk juist wordt verminderd. In deze kabinetsperiode heeft het rijk de lasten voor burgers en bedrijfsleven met ongeveer acht miljard gulden verminderd. MKB-Nederland schat de stijging van de lokale belastingen en heffingen voor bedrijfsleven en burgers op 1,5 miljard gulden over de afgelopen twee jaar.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hekelt op haar beurt het onderzoek van MKB-Nederland. Dat blijft volgens de VNG steken in “een oppervlakkige cijfermatige weergave van de ontwikkeling van de gemeentelijke belastingen”. Tussen 1993 en 1996 zijn volgens MKB-Nederland veertien van de vijftien onderzochte belastingen en heffingen gestegen, slechts één gedaald. De daling van de onroerend zaakbelasting (OZB) wordt teniet gedaan door hertaxatie van woningen en bedrijfspanden. Volgens de onderzoekers wordt per saldo 18 procent meer betaald voor deze belasting. De VNG komt tot een stijging van 0 tot 0,5 procent over de periode 1990-1996.

Over gemeentelijke belastingheffing bestaan veel misverstanden. Om manipulaties met cijfers te voorkomen, gaat de VNG in de tegenaanval. Maandag wordt een boekje gepubliceerd met de titel 'Elf feiten en dertien misverstanden'. Verplichte kost voor alle fractieleiders die in hun politieke beschouwing iets willen melden over lokale lasten. De VNG-toon is verdedigend: “Wanneer kranten en tijdschriften vijf procent duurder worden, heeft dat een groter effect op de koopkracht dan wanneer de gemeentelijke belastingen met hetzelfde percentage stijgen.” En: “Een Nederlandse burger betaalt per jaar veel meer aan benzine-, tabaks- en/of alcoholaccijns dan aan gemeentelijke belastingen.”

Mochten de fractieleiders het onderwerp van de gemeentelijke belastingen en tarieven tijdens de Algemene en Politieke Beschouwingen ter sprake brengen, dan is het antwoord van premier Kok voorspelbaar: de zaak wordt onderzocht. Staatssecretaris Vermeend (Financiën) heeft onlangs een werkgroep geïnstalleerd die precies gaat uitrekenen hoe groot de lokale lastenstijging voor het bedrijfsleven is.

Bezwaar versoepeld

Nadat iemand een belastingaangifte heeft ingediend, legt de inspecteur de aanslag op. Daarbij kan hij van de aangifte afwijken, al moet de inspecteur daar eerst over praten met de betrokkene. Dat voorkomt misverstanden. Als de inspecteur toch van de aanslag wil afwijken, dan kan de belastingbetaler officieel protesteren tegen de zijns inziens te hoge aanslag. Dat moet binnen zes weken gebeuren in een bezwaarschrift.

De wet schrijft voor dat zo'n bezwaarschrift duidelijk maakt welke problemen iemand met de aanslag heeft. Bij vakanties, in een drukke periode of bij een ingewikkelde zaak kan het voor een belastingbetaler wel eens lastig zijn de motivering op zo'n korte termijn op papier te zetten. Vóór alles is het van belang een bezwaarschrift op tijd in te dienen, eventueel nog zonder de motivering. De inspecteur mag zo'n onvolledig bezwaarschrift namelijk niet meteen afwijzen; hij moet de gelegenheid geven het zogenaamde motiveringsgebrek te herstellen.

Staatssecretaris Vermeend (Financiën) heeft de Belastingdienst onlangs aangegeven hoe die tijdens deze herstelfase moet handelen. In de eerste plaats krijgt de betrokkene na ontvangst van een gebrekkig bezwaarschrift een brief die hem vier weken de tijd geeft het verzuim te herstellen. Laat men die termijn ongebruikt verlopen, dan volgt er een tweede brief waarin de inspecteur nog eens twee weken de tijd geeft om alsnog met een motivering van het bezwaar te komen. Tegelijk waarschuwt hij voor het gevolg als zo'n aanvulling achterwege blijft. In dat geval kan de inspecteur namelijk officieel vaststellen dat het bezwaarschrift niet aan de eisen voldoet, dus 'niet ontvankelijk' is.

Overigens ontslaat de niet-ontvankelijkheid van een bezwaarschrift de inspecteur niet van de plicht om de geopperde bezwaren serieus te onderzoeken. Maar de betrokkene mist bij een niet-ontvankelijk bezwaarschrift het recht zijn zaak voor te leggen aan de belastingrechter.

Die mogelijkheid is er wel voor de mensen wier geldige bezwaarschrift door de inspecteur wordt afgewezen. Voor wie dan naar de rechter wil lopen, geldt weer de cruciale termijn van zes weken. Maar ook hier kan men die wat oprekken voor wat de motivering betreft, door een niet-gemotiveerd, zogenaamd pro forma beroepschrift in te dienen. Vervolgens bepaalt de rechter de tijd die men krijgt om de vormverzuimen te herstellen. Daarover is in de wet niets geregeld en Vermeend kan de rechters geen instructies geven zoals hij dat nu voor zijn inspecteurs heeft gedaan. De praktijk leert evenwel dat de belastingrechters minstens zo soepel zijn als de staatssecretaris.

    • Cees Banning
    • Aertjan Grotenhuis