Van mieren bezeten

Als klein kind zwierf hij in zijn eentje langs het strand op zoek naar inktvissen, kwallen en andere wonderbaarlijke ontdekkingen. Toen hij ouder werd, verlegde zijn aandacht zich naar reptielen en insecten in de moerassen van Alabama en Florida. Zijn ouders waren gescheiden en stuurden hem van pleeggezin naar pleeggezin.

Wilson, E.O. 1994. Naturalist. Island Press/Shearwater Books.

Tussen zijn zesde en zijn zeventiende bezocht hij veertien scholen, onder meer een militaire kostschool waar hij een ijzeren discipline ontwikkelde. “Op dieren en planten kon ik rekenen; relaties met mensen waren moeilijker”, schrijft de beroemde bioloog Edward O. Wilson in zijn levensverhaal, Naturalist. “Ik was er blij mee dat ik alleen was... De Natuur was een toevluchtsoord en een domein van eindeloos avontuur: hoe minder mensen, hoe beter.” Dat hij veldbioloog wilde worden, lag dan ook al vroeg voor de hand. De doorslaggevende ervaring die hem zijn levenslange studieobject opleverde, kwam op het moment dat hij onder de bast van een rottende boomstam op een kolonie van citroengele werkmieren stuitte, die binnen enkele seconden onder de grond verdween. Daar, in de duisternis onder zijn voeten, bestond nog een wereld, parallel aan de bovengrondse, die er op wachtte om ontdekt te worden! Wilsons doel stond vast: hij werd een van de grootste myrmecologen (mierendeskundigen) ter wereld.

Dergelijke unieke momenten die van doorslaggevende betekenis zijn voor de keuze van een academische studie zijn zeldzaam. Van een bevriende geoloog weet ik dat de aanblik van de lang verlaten bedding van een waterval hem in een flits het tijdsperspectief opleverde dat zijn studie zou bepalen.

Veelal zijn het niet eens eigen observaties, maar de ervaringen die leraren op de middelbare school doorgeven - zo herinner ik me zelf de indringende beelden van de lijkverbrandingen van slachtoffers van hongersnoden langs de Ganges uit de aardrijkskundelessen als een van mijn motieven om landbouwwetenschappen te studeren. En hoeveel conservatoriumstudenten hebben zich niet laten leiden door grote voorbeelden, door Callas of Casals? Maar heel vaak speelt toeval een rol: een enthousiaste schooldecaan, het feit dat klasgenoten naar een bepaalde universiteit gaan, een boeiende voorlichtingsdag.

Ook Edward Wilsons keuze werd gedeeltelijk gedreven door het toeval. Natuurlijk, hij raakte gefascineerd door mieren, en dat bepaalde zijn keuze voor zijn specialisatie, de entomologie (insectenkunde). Maar dat hij naar mieren keek, was het gevolg van een ongelukkig toeval. Tijdens een van zijn zoektochten naar zeedieren schoot zijn hengel uit en raakte het vishaakje zijn rechteroog. Hij verbeet zijn pijn en verzweeg het voorval voor zijn pleegouders.

Maanden later bleek dat het oog geïnfecteerd was geraakt en niet meer gered kon worden. Daarnaast maakte een erfelijke afwijking hem slechthorend in een bepaald frequentiebereik. Hierdoor was bijvoorbeeld de ornithologie als vakgebied uitgesloten: “Ik bleek een hopeloze vogelaar. Ik kon geen vogels horen; ik kon ze niet traceren, tenzij ze zo vriendelijk waren om vlak voor mijn neus voorbij te fladderen; zelfs een enkele zingende vogel in een nabije boom was onzichtbaar (...). En hetzelfde gold voor kikkers...” Al vroeg besefte Wilson dat hij zijn aandacht moest richten op soorten die voor hem geschikt waren, kleine kruipende en vliegende insecten, groot en langzaam genoeg om met een loep te bestuderen, maar niet zo klein dat ze slechts met een microscoop zichtbaar waren. Hij was zestien toen hij, vlak voor zijn eindexamen, besloot zich volledig te richten op mieren. “Het was tijd om een groep insecten te kiezen waarvoor ik de wereldautoriteit kon worden”, schreef hij. Vlinders waren al vergeven, maar hij flirtte nog even met de gedachte aan vliegen. Dat al meer dan duizend soorten bekend waren in Noord-Amerika, weerhield Wilson niet. Opnieuw speelde het toeval een rol: voor de aanleg van een vliegencollectie waren speciale zwarte insectenspelden nodig en die kwamen traditiegetrouw uit Tsjechoslowakije. Maar net in dat jaar was, als gevolg van de oorlog, de aanvoer van spelden stilgevallen. Zonder aarzeling koos hij vervolgens voor een insectengroep die met eenvoudige middelen, alcohol en glazen flesjes, verkrijgbaar bij de plaatselijke drogist, verzameld kon worden: mieren. Per post bestelde hij voorts een exemplaar van een standaardwerk over mieren uit 1910. Niets kon Edward Wilson nu nog weerhouden. De ontdekking van de bijzondere ondergrondse wereld van de citroenmieren vormde vervolgens de laatste bevestiging van zijn op praktische overwegingen gebaseerde keuze. Door een aaneenschakeling van toevalligheden bleek hij een braakliggend terrein te ontsluiten waar bijna iedere veldobservatie tot nieuwe inzichten kon leiden.

Al snel stuurde hij zijn monsters naar de conservator van het nationaal natuurhistorisch museum, met een uitgebreide omschrijving en een voorstel tot determinatie: het begin van zijn wetenschappelijke correspondentie. Op dezelfde vanzelfsprekende wijze waarmee hij besloot een deskundige van wereldfaam te worden, stapte hij op de eerste dag van zijn studie aan de universiteit van Alabama naar het hoofd van het Biologisch Laboratorium om zijn carrièreplannen te bespreken. Na enkele jaren werd hij in het Walhalla van de wetenschap, Harvard, benoemd, waar hij de rest van zijn leven zou verblijven. Naast zijn baanbrekende biologische werk, waarvoor hij in de hele wereld grote erkening kreeg, ontving hij twee keer de prestigieuze Pulitzerprijs.

De leidraad in dit uitzonderlijke levensverhaal is Wilsons diepe wens iets bij te dragen aan de collectieve wetenschappelijke kennis. “Ik leerde met het doel iets te ontdekken. Mijn persoonlijke vreugde werd nu vermengd met sociale waarden. Ik begon me telkens af te vragen: wat heb ik geleerd door mijn observaties dat niet alleen voor mij nieuw is, maar voor de wetenschap als geheel? “Heel weinig mensen formuleren op die manier hun doel. Als ik mijn studenten vraag naar hun ambities, komt eigenlijk niemand met één ondubbelzinnig antwoord. Bijna altijd krijg ik een staalkaart van wensen voorgelegd: een leuke baan, natuurlijk, maar ook een leuke partner, een leuk huis, en tijd om vrienden te bezoeken en leuke dingen te ondernemen zoals sport en andere hobby's. 'Leuk' is het meest gehanteerde epitheton, en zelden of nooit 'betekenisvol' of 'wetenschappelijk en maatschappelijk zinvol'. Een term die niet alleen de taalarmoede van sommige academici in spe onthult, maar ook het gebrek aan duidelijkheid. Zelfs wie naar de tropen wil, toch nog altijd een vrij ingrijpende keuze, formuleert dat als 'het lijkt me wel leuk een tijdje te reizen en andere culturen te beleven'.

Zelfs in Wageningen, waar we gezegend zijn met een redelijk aantal studenten die 'iets concreets' willen, geldt dat zij nauwelijks kunnen omschrijven wat hen nu precies boeit. 'Iets met bomen bijvoorbeeld...' Bijna alle studenten op mijn spreekuur worstelen met de vraag of ze nu wel de goede keuze hebben gemaakt. Vooral wie veelzijdig getalenteerd is en voor wie dus veel wegen open liggen, is snel aan het twijfelen gebracht. Er bestaan immers geen saaie vakken, alleen saaie docenten, en dus kan bijna ieder vak boeiend zijn. De veel geroemde Wageningse vrijheid (waardoor zeer uiteenlopende vakken gecombineerd mogen worden in een afstudeerpakket) maakt het kiezen niet altijd gemakkelijk. Daarom is een van de belangrijkste taken van docenten om studenten te helpen hun nieuwsgierigheid te kanaliseren en doelgericht te maken. Want wie naar alles benieuwd is, verliest zich in een uitwaaierend net van steeds maar nieuwe vragen waarvan het verband zoek raakt. In Wilsons autobiografie lees ik ook dat zijn gelukkige onderwerpkeuze niet de belangrijkste verklaring voor zijn fenomenale succes is. Ik vermoed dat hij op bijna ieder terrein, met uitzondering wellicht van de wiskunde waarin hij zichzelf als zwak beschouwt, een coryfee geworden zou zijn. Kenmerkend is dat hij in de loop van zijn leven drie keer een volledig nieuw onderwerp ter hand heeft genomen, waaronder de biodiversiteit en de sociobiologie, dat ook buiten de biologie grote aandacht heeft getrokken, mede door zijn controversiële stellingname. Wilson leert ons dat het er niet zozeer om gaat wat je kiest of doet, maar hoe je het doet: met volledige overgave en nauwgezette discipline, met uitsluiting van veel andere 'leuke' dingen, en met een duidelijk doel voor ogen. Een dergelijke vastberadenheid is slechts voor weinigen weggelegd. En de prijs is navenant hoog.