STILLE OMWENTELING; Surinaamse Anton de Kom Universiteit is het dieptepunt voorbij

Het gebrek aan kader in Suriname kan ministers tot wanhoop drijven. “Ik moet soms zelf briefconcepten schrijven, omdat mijn ambtenaren daar moeite mee hebben”, klaagt een bewindsman. In het bedrijfsleven is het niet veel beter. Uit een onderzoek van het Surinaamse bureau van consultant Ernst & Young bleek nog niet zo lang geleden dat 80 procent van het management ongeschikt is voor zijn taak.

Toch heeft Suriname sinds 1968 een eigen universiteit. De oprichting was een initiatief van premier Johan Adolf ('Jopie') Pengel. Tussen 1973 en 1993 leverde de Anton de Kom Universiteit 734 academici af: 450 mannen en 284 vrouwen. Het aantal afgestudeerden in Nederland beliep volgens cijfers van het CBS in dezelfde periode 342.885. Ook als rekening wordt gehouden met de verschillende bevolkingsaantallen (ruim 15 miljoen Nederlanders en bijna een half miljoen Surinamers) blijft de aanwas van Surinaamse academici een straatlengte achter.

Hoeveel in Suriname opgeleide academici hun beste krachten aan het eigen land hebben gegeven is niet precies bekend. “In elk geval is een te groot aantal in het buitenland gaan werken”, zegt medisch hoogleraar dr.B.F.J. Oostburg, tevens bestuursvoorzitter van de Surinaamse universiteit.

De Anton de Kom Universiteit is nog altijd bezig zich te herstellen van de klappen opgelopen in de desastreuze periode van de militaire dictatuur van Desi Bouterse in de jaren tachtig. Na de decembermoorden in 1982, waarvan ook twee vooraanstaande universiteitsdocenten het slachtoffer werden, namen vele honderden studenten en docenten de wijk naar Nederland.

REVO-BESTUUR

De universiteit, die na een onrustige periode van demonstraties tegen de dictatuur een jaar lang gesloten bleef, kreeg een 'revo-bestuur'. De universiteit moest een 'ontwikkelingsuniversiteit' worden. Het resultaat was dat de onderwijskwaliteit al snel een treurig dieptepunt bereikte. De doctoraalopleiding werd vervangen door een vierjarige 'bachelorsstudie'. Politiek niet welgevallige docenten werden op non-actief gesteld of oneervol ontslagen; zeven van de achttien afstudeerrichtingen in de Natuurtechnische faculteit werden eenvoudigweg opgeheven; het Instituut voor Economisch en Sociaal Onderzoek hield op te bestaan; aan de praktijkbegeleiding van juristen kwam een eind, wat er mede toe leidde dat in Suriname tussen 1983 en 1987 geen enkele jurist afstudeerde; en na de 17 promovendi tot 1982, meest afkomstig van de medische faculteit, volgde er geen meer.

Na de rampzalige 'revo-periode' lijkt nu sprake van een veel vruchtbaardere stille omwenteling. De Anton de Kom Universiteit probeert meer dan ooit haar plaats te vinden in de regio. Al sinds de tijd van Pengel hebben Surinaamse politici gezegd dat hun land zich minder eenzijdig op Nederland moest oriënteren, maar het waren steeds vrome woorden. De (deels mentale) afhankelijkheid van Nederland bleef.

“Men begint nu te begrijpen dat wij aansluiting moeten zoeken bij onze buren, omdat we in deze regio min of meer dezelfde vraagstukken hebben op te lossen en elkaar dus goed begrijpen”, zegt Marie Levens vanachter haar bureau in een van de vele brandgevaarlijke houten regeringsgebouwen in Paramaribo. De 45-jarige in Amsterdam opgeleide andragoge is als hoofd van het Bureau Hoger Onderwijs een van de drijvende krachten achter de heroriëntatie van de Surinaamse universiteit.

Enkele jaren geleden maakte ze, zonder veel ophef, een eind aan het sturen van Surinaamse beursstudenten naar Nederland. Belangrijkste reden: Surinamers waren na hun studie niet of nauwelijks bereid uit Nederland naar hun land terug te keren. Aan Nederlandse universiteiten en hoger-beroepsopleidingen studeren nu nog 83 Surinamers. Het gaat om opleidingen of vervolgopleidingen die in Suriname zelf niet kunnen worden gevolgd. Inmiddels studeren 54 Surinamers met een (uit Nederlands ontwikkelingsgeld gefinancierde) beurs in buurland Brazilië, vooral in technische vakken.

Enkele teruggekeerde afgestudeerden hebben snel een baan gevonden bij bedrijven als Suralco (bauxiet), Staatsolie en Telesur (telecom). Volgens Levens passen studenten die in de regio een (vervolg)opleiding deden, zich na terugkeer gemakkelijker aan dan degenen die in Nederland studeerden. In Suriname worden degenen die na jaren uit Nederland terugkomen traditioneel met het nodige wantrouwen bekeken. Levens meent dat terugkeerders uit landen als Brazilië zich 'minder arrogant' opstellen. Hoger kader dat al lang is afgestudeerd en in aanmerking komt voor upgrading gaat vaak nog wel naar Nederland, al neemt de belangstelling voor cursussen in de regio duidelijk toe.

Enkele maanden geleden sloot de Anton de Kom Universiteit een 'paraplu-overeenkomst' met de University of the West-Indies. Levens: “Het is bewezen dat kleine staten met elkaar moeten samenwerken. Vanwege de kleinschaligheid is het niet haalbaar om alle opleidingen in eigen land aan te bieden.” De overeenkomst maakt uitbreiding mogelijk van de al bestaande samenwerking, waaronder technische bijstand en het uitwisselen van docenten en studenten. Voor de University of the West Indies is de relatie mede aantrekkelijk, omdat men pas voor fondsen van de Europese Unie in aanmerking komt, indien met andere universiteiten wordt samengewerkt.

Door het probleem van de kleinschaligheid (gebrek aan apparatuur en menskracht) is puur wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de technische wetenschappen in Suriname nauwelijks mogelijk, hoewel het land zich ooit enige reputatie verwierf bij de veredeling van rijstrassen. “We moeten ons hier meer richten op toegepast onderzoek”, zegt ingenieur Rik van Ravenswaay. Volgens de docent agrarische technieken, die in de Verenigde Staten zijn ingenieurstitel haalde en actief is in de D66-achtige partij DA91, ligt het niveau van de opleiding tussen dat van de Nederlandse hogere landbouwscholen en de Landbouwuniversiteit in Wageningen. “We gebruiken hier dictaten van de Landbouwuniversiteit in Wageningen”, zegt hij. Maar voor wetenschappelijk onderzoek moet volgens hem toch worden uitgeweken naar de Verenigde Staten, landen in de regio en ook Nederland. Datzelfde geldt voor andere technische studierichtingen, zoals werktuigbouw, elektrotechniek, civiele techniek en delfstofproductie. “Ik betwijfel of we hier een mastersopleiding van de grond zouden kunnen krijgen”, aldus Van Ravenswaay, die telg is uit de groep 'boeroes', de paar honderd Nederlandse agrariërs die in de vorige eeuw naar Suriname emigreerden.

De medische faculteit van de Surinaamse universiteit en het daaraan verbonden wetenschappelijk instituut hebben ongetwijfeld de beste reputatie. Dat heeft alles te maken met de historie. Al sinds het eind van de vorige eeuw kende Suriname een medische school, die volwaardige artsen opleidde. De instelling was opgericht onder druk van de Britten, die een goede medische verzorging eisten voor de uit Brits-Indië naar Suriname aangevoerde hindoestaanse contractarbeiders.

Van oudsher werkte de medische faculteit in Paramaribo samen met de universiteit van Leiden, die gastdocenten stuurde en specialisten opleidde. Aan die samenwerking kwam onlangs abrupt een einde. “Het belangrijkste was dat het eenrichtingsverkeer Nederland-Suriname was”, aldus de celbioloog Ernie Brunings. Hij is voorzitter van de medische faculteit van de Anton de Kom Universiteit. Ooit was hij de man van het universitaire 'revo-bestuur'. “Maar een mens kan veranderen”, zegt hij er nu over.

Wat in Paramaribo kwaad bloed zette was de wijze waarop de Leidse universiteit een hulpproject opzette. Dit project vloeide voort uit de missie-Van Kemenade, die eind jaren tachtig in Paramaribo een inventarisatie maakte van de personele en materiële behoeften van de Surinaamse universiteit en van de mogelijkheden voor samenwerking met buitenlandse universitaire instellingen. Brunings: “Een coördinator uit Leiden zou voor vijf jaar naar Suriname komen en voor die periode 800.000 Nederlandse gulden salaris krijgen. Daarmee was het budget van 1,2 miljoen gulden voor de medische faculteit al bijna opgebruikt. Nederlandse wetenschappers zouden naar hier komen voor een tarief van 500 dollar per dag. En apparatuur wilde Leiden installeren met eigen mensen, terwijl wij dat zelf kunnen.”

Het bestuur van de Surinaamse medische faculteit stelde vervolgens een eigen plan op waarmee andere Nederlandse universiteiten werden benaderd. Met de Universiteit van Amsterdam en de Erasmus Universiteit in Rotterdam werd een akkoord bereikt. “Wat nu op papier is gezet ziet er veel prettiger uit”, aldus Brunings. Een van de afspraken is dat uitgezonden wetenschappelijk personeel niet meer als consultant wordt betaald, maar een gewoon salaris van de Nederlandse universiteit ontvangt. De reis- en verblijfkosten worden uit de hulpprojectbegroting gefinancierd. Brunings: “De universiteiten van Rotterdam en Amsterdam zien voor zichzelf ook nut in samenwerking. Zo kunnen ze studenten hier stage laten lopen om bijvoorbeeld kennis te maken met tropische geneeskunde.”

BOEKJE

In een boekje ter gelegenheid van het 25-jarig universiteitsjubileum sprak bestuursvoorzitter Oostburg de hoop uit dat Suriname 'vertrouwen zal stellen' in zijn universiteit. Door de achteruitgang van het wetenschappelijk onderwijs in de jaren tachtig was daar niet veel meer van over. In een gesprek op de ruim opgezette campus aan de rand van Paramaribo toont hij zich optimistisch. Als voorbeeld noemt hij het instituut voor managementopleidingen dat onlangs samen met het Surinaamse bedrijfsleven is opgezet. En de Surinaamse overheid lijkt wat vaker bereid onderzoeksopdrachten aan de eigen universiteit te geven in plaats van aan buitenlandse deskundigen.

Of het Surinaamse kaderprobleem over een aantal jaren is opgelost? De toeloop naar de universiteit steekt in Suriname nog altijd mager af bij die in een aantal omringende landen. Volgens cijfers van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling ligt de participatiegraad voor het hoger onderwijs op 6 procent (op een bevolking van nog geen half miljoen). Daarmee blijft Suriname enkele procenten achter bij Caribische landen als Guyana en Trinidad, maar ver achter bij Latijns-Amerikaanse landen als Venezuela, Mexico, Colombia en Costa Rica.

Een van de oorzaken is het grote aantal afvallers op de middelbare scholen. Zo slaagt op de VWO-scholen jaarlijks slechts de helft van de kandidaten voor het eindexamen. Op de HAVO's ligt dat aantal zelfs op 30 procent. Een van de belangrijkste oorzaken? Het nijpende gebrek aan gekwalificeerde leerkrachten.