Smalle neusgang maakt van dinosauriërs weer koudbloedigen

Tot de jaren zeventig golden de dinosauriërs als koudbloedig, en dus als traag en saai. Daarna veranderde dat beeld. Uit onderzoek bleek dat sommige van de 'vreselijke hagedissen' veel prooi aten, hoge groeisnelheden kenden en enorme afstanden aflegden. Dat maakte hen warmbloedig, actief en ineens een stuk interessanter.

Aan de bewijsvoering voor warmbloedigheid werd echter getwijfeld. Sindsdien zijn paleontologen in discussie over het feit of deze prehistorische reptielen - van 245 tot 65 miljoen jaar geleden de dominante diersoort op land - warm- dan wel koudbloedig waren.

Een groep onderzoekers van de Oregon State University komt in Science (30 augustus) tot de conclusie dat er in ieder geval een aantal koudbloedige dinosauriërs waren. Ze baseren hun uitspraak op anatomische analyses van de neusgangen van opgegraven resten van zowel vleesetende als plantenetende dinosauriërs.

De Amerikanen maakten gebruik van computer axial tomography, een beeldvormingtechniek van inwendige structuren. Uit de scans bleken de neusgangen steeds smal en buisvormig. Ze vertonen daarmee meer overeenkomst met de neusgangen van krokodillen en hagedissen dan met die van vogels en zoogdieren. Bij deze diergroepen bevatten de neusgangen spiraalvormige structuren waarmee ze overmatig verlies van warmte en vocht tegengaan. Warmbloedigen produceren door een intensievere ademhaling meer warmte en vocht dan koudbloedigen. Doordat de onderzochte schedels deze spiraalvormige structuren missen, concluderen de Amerikanen dat de onderzochte dinosauriërs koudbloedig waren.