Niet blasé, maar gefrustreerd

Het grote publiek wordt allengs ongevoeliger voor gruwelijkheden overal ter wereld, betoogde Anil Ramdas in deze krant. Jos de Beus is dat niet met hem eens: mensen zijn juist veel gevoeliger geworden voor ellende. Het onvermogen er iets aan te doen leidt echter tot frustratie.

In zijn beschouwing 'Sterven voor een meer van honing' (Zaterdags Bijvoegsel, 17 augustus) vestigt Anil Ramdas de aandacht op twee van de belangrijkste politieke vragen van deze tijd. Hoe kan de wederopleving van burgeroorlog en brute anarchie worden verklaard? En waarom trekken regeringen en burgers uit het veilige democratische deel van de wereld niet ten strijde tegen volkenmoord, zelfs niet wanneer helder is dat toekomstige slachtoffers te zwak zijn om zichzelf te verweren en te bevrijden? Volkenmoord is een apart extreem geval van verdwenen rechtsbescherming. Staten of para-staten houden zich bezig met de totale uitroeiing van omvangrijke groepen, meestal een ander volk, soms ook het eigen volk (Pol Pot).

Ramdas begint met de tweede vraag en geeft, samengevat, het volgende antwoord. Het grote publiek is onverschillig en waant zich onveilig in eigen land. In combinatie met afweerreacties, zoals fatalisme en ontkenning van harde feiten over de barbarij elders, leidt dit tot een gebrek aan steun voor actieve humanitaire politiek, zoals voor ingrijpen in landen als Burundi.

Ik zou de onverschillige Westerlingen niet de kost willen geven, en zelfs de onverschillige Nederlanders niet. Maar toch is Ramdas' verklaring maar ten dele juist. Er is een tegenovergesteld psychologisch argument te verdedigen. De humanitaire gevoeligheid is mede door de verbeterde nieuwsvoorziening uitgedijd en is tevens door het wegvallen van de scheidslijnen uit de Koude Oorlog ongerichter geworden. Deze gevoeligheid zonder landsgrens en prioriteit wordt thans gefrustreerd door de onmacht, het falen of het ontbreken van boven-nationale instellingen voor de handhaving van mensenrechten.

Een voorbeeld hiervan is de gegroeide belangstelling voor Rwanda en Burundi. In 1972 werden in Burundi honderdduizend Hutu's afgeslacht en werden tweehonderdduizend Hutu's tot ballingschap gedwongen. Dit ging aan de Nederlandse publieke opinie voorbij. Die was, zoals gebruikelijk, vatbaar voor schok en verontwaardiging, maar kende aan humanitaire misstanden alleen praktische politieke betekenis toe als ze in het vriend-vijandschema van Oost en West konden worden geplaatst. De slachtingen in Rwanda en Burundi in de jaren negentig zijn massaler en soms gruwelijker dan die in de jaren zestig en zeventig. Maar tevens zijn er nu veel meer goed ingelichte en betrokken mensen in Nederland dan toen. Ze hebben het bedrieglijke onderscheid tussen goed en kwaad uit de tijd van de oorlog in Vietnam (of, verder terug, de Spaanse Burgeroorlog) niet meer nodig om toch in hun hele zedelijk gevoelsleven geraakt te worden door de misdaden tegen de menselijkheid in verre streken en door de instorting van de internationale rechtsorde.

Schuldbesef is hier niet het goede woord, want men weigert om de volksmoordenaars nog te zien als ontspoorde doch willoze slachtoffers van Westers kolonialisme of oosters communisme. Maar de term onverschilligheid (Ramdas) klopt evenmin, al sluit ik natuurlijk niet uit dat mensen apathischer worden en hun kring kleiner maken wanneer hun rechtsbewustzijn voortdurend op de proef wordt gesteld zonder dat ze daar individueel veel aan kunnen doen. Vandaar dat ik de term 'frustratie' verkies.

Deze verklaring wordt bevestigd in gesprekken met mensen in mijn omgeving, onder wie studenten in de filosofie en jonge leden van de PvdA (beide soorten bestaan nog, zij het gescheiden). Maar dit maakt haar uiteraard niet minder speculatief dan de verklaring van Ramdas. Toch past het beeld van de gefrustreerde publieke opinie beter in het stramien dan Ramdas' beeld van de onverschillige publieke opinie. Dat stramien wordt zichtbaar in de kater van Srebrenica en de kater van Somalië in de Verenigde Staten - in dit verband het land dat nog steeds het meest telt.

Het patroon van frustratie kan in enkele factoren worden ontbonden. Ten eerste zijn de kiezers in de gevestigde democratieën zich steeds bewuster geworden van de hoge kosten en de beperkte baten van oorlog. Hier spelen diverse verschijnselen een rol, zoals het vredesevenwicht tussen democratische staten (de 'eeuwige vrede' van Immanuel Kant), de gewenning aan een hoog peil van welstand en rechtszekerheid, de onthulling van de gevolgen van echt geweld in de media, de multinationale handelsgeest en de vredesbeweging. Het onbedoelde gevolg is dat weinigen nog geloof hechten aan het idee van een beperkte rechtvaardige oorlog. De meeste kiezers en gekozen politici willen vertrouwen op substituten, zoals pendeldiplomatie, inzamelingsacties en Amnesty International.

Ten tweede is de veiligheidsgarantie binnen de gevestigde democratieën zelf kwetsbaar geworden. Daarmee doel ik niet alleen op de vrees voor criminaliteit en terreur (waarop Ramdas terecht wijst) maar ook op de opheffing van de vaste baan, de uitholling van sociale zekerheid en het afgenomen vertrouwen in de werking van de eigen instellingen (overheid, gezin, verenigingsleven). In een dergelijk klimaat wordt humanitaire zorg voor een gestadig groeiende massa vreemdelingen zonder voorspelbare limiet eerder als een last ervaren die de normale morele verplichtingen te boven gaat.

Ten derde worden de tekorten van het huidige regime van volkenrecht in bredere kring ingezien, zonder dat er zich een geloofwaardig alternatief aandient in de vorm van een ander regime (de Europese Unie, de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid). Deze tekorten betreffen niet alleen het bekende bankroet van de Verenigde Naties en de bekende problematiek van de afstemming van grensoverschrijdende collectieve actie (coalitievorming, toewijzing van bevoegdheden, kostendeling). Een nieuw tekort lijkt te zijn dat de monsters niet alleen te groot kunnen zijn voor interventie zonder overmatige risico's (Stalin, Mao) maar ook te klein voor zoiets. Hoe pak je al die krijgsheren aan zonder te verzanden, jezelf te compromitteren of half werk af te leveren als het om de opbouw van een burgerlijke samenleving gaat?

Ten slotte wordt de handhaving van mensenrechten minder als een welbegrepen eigenbelang of een hoog ideaal gezien. De oorden van volkerenmoord, zoals een groot deel van Afrika, worden buiten 'ons' systeem geplaatst. Voor culturele afhankelijkheid hoeven 'we' voorlopig niet te vrezen, als zelfs de producten van creolisatie (zoals Afro-Amerikaanse popmuziek) te exporteren zijn. De oude afhankelijkheden van economische en politieke aard (import-goederen, Russische invloedssferen) breken onder onze ogen af. Nieuwe afhankelijkheden (migratiedruk, milieuschade, islamisme) kunnen we snel en goedkoop indammen. Deze houding van uitsluiting is in verkiezingscampagnes nog altijd wat bedekter en marginaler dan in huiskamers. Ze is ook niet uitgekristalliseerd door slimme elites, als men afgaat op het Europese debat over de vage buitengrenzen van de Europese Unie. Ze heeft alles te maken met de mislukking van goede bedoelingen in het verleden (ontwikkelingssamenwerking). Ze is nochtans wel aanwezig en geeft uiteraard de volksmoordenaars meer elleboogruimte.

Het resultaat van deze krachten en hun wisselwerking is een scheve verhouding tussen het gefrustreerde gevoel voor menselijke gelijkwaardigheid van een verbijsterd toekijkend publiek en het fanatisme van de nieuwe stammenstrijders. Anders dan Ramdas, ontwaar ik geen onverschilligheid als directe reactie op wreedheid in de buitenwereld maar een frustratie als indirecte reactie. De tussenschakel is het slechte functioneren van het volkenrecht. Het Handvest van de Verenigde Naties (1945) is geen grondslag meer, en de politieke verbeeldingskracht voor een nieuwe grondslag in dit tijdperk van wilde wereldvorming laat te wensen over.

En dan de andere vraag, omtrent de drijfveren van de volksmoordenaars. Ramdas geeft een verklaring die ik zou willen omschrijven als de hypothese van de kindsoldaat. Burgeroorlog is hier de verzamelnaam voor bloedige conflicten rondom afscheidingsbewegingen, drugsbendes, stammen, etnische en nationale minderheden, en facties in het leger of het algehele overheidsapparaat. Alle strijdende partijen, of ze nu aanvoerders, handlangers of meelopers zijn, zijn vanwege hun romantische zwart-witbeelden agressief en destructief. Ze zijn ook allemaal 'kinderlijk', in de zin van onredelijk, irrationeel en verblind door hun nationalistische ideologie en hartstocht.

Ik betwijfel of Enzensberger en Berlin hun naam aan deze hypothese zouden willen verbinden, zoals Ramdas suggereert. Ook als er in Columbia en Tsjetsjenie evenveel bloed zou vloeien (wat niet zo is en wat zelfs vanuit het gezichtspunt van mensenrechten niet de enige maatstaf kan zijn), moet toch van meet af aan duidelijk zijn dat het hier om zeer uiteenlopende gezagscrises gaat. Ook als de edelheid van geweld tot officiële deugd wordt verheven, moet toch niet worden vergeten dat sommige 'burgeroorlogen' door gelukkige omstandigheden kunnen worden verhinderd of gepacificeerd (zoals de opdelingen van Tsjecho-Slowakije en België laten zien), terwijl in andere gevallen de regering zich namens een overheersende meerderheid onverzoenlijk opstelt en een spiraal van geweld uitlokt (Turkije, Egypte). En als er machthebbers en ondergeschikten zijn met een uitzonderlijk slechte natuur, dan moet toch met Isaiah Berlin zelf worden opgemerkt dat men die beter niet primair als dwaas, irrationeel of banaal moet beschouwen. Mensen die in staat zijn om de universele behoefte aan erkenning en gemeenschap om te zetten in een enge voorkeur voor bloed en ijzererts en die van hun particuliere vernietigingsdrang een groot publiek project weten te maken, blijken juist uiterst intelligent als het om taalgebruik en machtsvertoon gaat. Dat lijkt me een betere werkhypothese voor diplomaten, militairen, rechters en historici.

Over de verklaring van de recente genocide is veel meer te zeggen, vooral omdat hier een aannemelijke theorie ontbreekt (daarover zijn Ramdas en ik het wel eens). Ik beperk me tot een paar conclusies. Ten eerste kan de humanitaire gevoeligheid slechts worden omgezet in doeltreffend optreden (of wat bij ons mensenrechtenbeleid heet) als er meer rationele selectiviteit wordt opgebracht. Deze selectie geldt de toedeling van verantwoordelijkheden tussen allerlei organisaties en bestuurslagen in de verschillende regio's van de wereld. Maar onderscheidingsvermogen is ook geboden in de waarneming en beoordeling. Ik doel dan op de mate van ernst van rechteloosheid, van betrouwbaarheid van overheden ter plaatse, en van representativiteit van nationalistische groeperingen.

Ten tweede is er een verband tussen democratie en genocide, zij het een verband dat niet vanzelf spreekt. Autocratische leiders zorgen soms voor de stabiliteit en economische groei die voldoende zijn voor de overleving en minimale rechtszekerheid van hun onderdanen. Omgekeerd, zijn democratische leiders soms niet geneigd om mensenrechten te respecteren (de tirannieke meerderheid) of niet in staat iets te doen tegen het gebrek aan respect van derden (de besluiteloze meerderheid). Een voorbeeld van het eerste is de huidige hetze tegen de onderklasse in de Verenigde Staten. Een voorbeeld van het laatste is de inconsistente Joegoslavië-politiek van de Europese Unie. Toch is er wel een samenhang. Een democratische natiestaat als Nederland is mede gebaseerd op traditionele en contractuele aanvaarding van internationale plichten. Die plichten omvatten de hulp bij natuurrampen en hongersnood maar ook de hulp bij volkenmoord (zoals opvang van vluchtelingen). Zo bezien, moet men niet alleen kiezen tussen rechtvaardigheid of anarchie maar ook tussen sterke democratie hier of vrije genocide daar.

    • Jos de Beus