Negenhonderdvijfendertig kilo blik

Mensen met een dynamische baan kopen geen auto. Zij wijzen er één aan op een lijst en laten het verder over aan personeelszaken en de leasefirma. Deze geluksvogels gebruiken de auto, maar bezitten hem niet.. Daarom verwisselen zij met een superieure achteloosheid om de paar maanden van merk, type en prijsklasse, al naar gelang de representativiteit van hun bezigheden dit van hen verlangt.

Het spreekt vanzelf dat deze joy riders hierdoor gevrijwaard blijven van iets waar al hun minder fortuinlijke landgenoten dag en nacht mee worstelen: de persoonlijke verantwoordelijkheid voor de negenhonderdvijfendertig kilo blik, plastic en rubber die voor de deur geparkeerd staat.

Tenminste, ik worstel daarmee.

Zeker nu mijn auto en ik in een fase terecht zijn gekomen waarin we moeten besluiten of we met elkaar door willen gaan. Mijn trouwe middenklasser vertoont de laatste tijd zoveel gebreken dat het de vraag is of onze relatie tegen de reparatiekosten bestand is. Wat emotioneler geformuleerd: hou ik genoeg van mijn auto om samen oud te worden ?

Het eerlijke antwoord is: nee, niet genoeg. Hoewel we meer dan honderdnegentigduizend kilometer hebben afgelegd, waarvan het grootste deel tandenknarsend in de file, is er tussen ons nooit meer gegroeid dan een stil respect. Liefde mag het niet heten want die gaat verder, zo'n innige band veronderstelt namelijk vereenzelviging, en voor zoiets moois begrijp ik te weinig van het binnenste van mijn auto. Hij blijft dus een bekende maar raadselachtige verschijning in mijn leven, die ik weliswaar regelmatig met zorg door de wasstraat rij, maar in laatste instantie toch ook zonder pijn zal inruilen voor een nieuw exemplaar.

Denk ik. Want de beslissing is nog niet genomen. Voordat de gang naar de autohandelaar gemaakt kan worden, moet een bewuste burger ook de vraag beantwoorden of dat in maatschappelijk opzicht wel zo verstandig is. Is het voor de samenleving niet beter als ik mijn karretje tot de laatste snik oprij?

Ik weet niet wat minister Jorritsma hierover adviseert, maar vanuit sociologisch oogpunt zou het niet zo gek zijn als steeds meer mensen in hun oude auto blijven rijden. Daarmee zou een heel nare vorm van autogebruik in ons land, het moedwillig aanscherpen van sociale verschillen, vanzelf minder worden. Want hoe je het ook wendt of keert, de aanschaf van een nieuwe auto vormt in alle lagen van de bevolking al sinds de dagen van Henri Ford het kristallisatiepunt van maatschappelijk succes. In onze neo-liberale prestatiemaatschappij heeft de behoefte aan dit succes zulke obsessieve vormen aangenomen dat de auto-industrie de nieuwe modellen niet kan aanslepen. Met als gevolg dat het hele land straks vol geparkeerd staat. De meeste rijders zal dat een zorg zijn omdat zij hun aanwinst niet nodig hebben om in de geografische ruimte vooruit te komen, maar om in sociaal opzicht anderen in te halen. Daarvoor volstaat het hun zestienkleppers vanuit de showroom rechtstreeks de file in te sturen. Nergens anders is zoveel bekijks.

Natuurlijk is dit verwerpelijke gedrag bij de politiek bekend. Het vormt de kern van het Nederlandse mobiliteitsvraagstuk, en, goedbeschouwd, van vrijwel alle politieke problemen. Dus moet er iets aan gedaan worden.

Maar ja, hoe beteugel je als minister de distinctiezucht bij anderen als je zelf niet voor een pooier wilt onderdoen? Voor deze dubbele opdracht staan de Paarse bewindslieden op dit moment, en een verbod op de aanschaf van nieuwe auto's valt daarom ver buiten de beleidsruimte die men elkaar wil toestaan. Maar het omgekeerde, het stimuleren van het bezit en onderhoud van oude exemplaren kan wel heel goed.

In mijn geval zou het zeer welkom zijn als de ministerraad zou besluiten bij de tienjarige verjaardag van elke auto een versnellingsbak, vier nieuwe banden, een waterpomp en een startmotor cadeau te doen. Flankerende maatregelen zouden kunnen zijn om reparaties aan autos die meer dan tweehonderdduizend kilometer op de teller hebben vrij te stellen van BTW en de APK keuring in deze categorie niet langer verplicht te stellen. Het effect hiervan is zonder twijfel dat steeds meer mensen de uitdaging van de oude auto durven aangaan. Ik denk dat het zelfs een sport zal worden om er nog eens tien jaar aan vast te plakken en door te rijden tot men de twintig vol heeft. Dan bereikt men namelijk de status van Old Timer en hoeft men nooit meer wegenbelasting te betalen. Om zover te komen zal de eigenaar voorzichtiger, bewuster en vooral spaarzamer van de auto gebruik maken. Precies wat de minister wil. En als er dan toch in de rammelende roestbak een tochtje gemaakt moet worden zal dat niet langer als een maatschappelijke schande gezien worden, maar juist als een voortreffelijke vorm van burgerzin.

Zo'n automobilist verwerft nieuw aanzien omdat hij toont dat door een juiste combinatie van milieubesef, persoonlijke soberheid, en een grote zorg voor ons industriële erfgoed de liberale droom van de vrije verkeerscirculatie toch voor iedereen bereikbaar blijft. En dat op een nette manier.

Ik voel er wel wat voor.