Naam van de maand

Heel vroeger werden de maanden genoemd naar het voornaamste werk dat het volk dan moest doen. Zo is juli die hooimaand, augustus de oogstmaand, november de slachtmaand. Maar december of januari? Ik ging het vragen bij mensen die het weten konden, eerst in de onmiddellijke omgeving.

Niemand kwam verder dan hooien, oogsten en slachten. Zaaimaand! riep een erudiet. Het klonk voor de hand liggend maar onderzoek leert dat zo'n maand niet bestaat. Het staat er met deze benamingen even slecht voor als met de vaderlandse liederenschat. Kom patertje geef er je non een zoen, joech-hei! Dat mag je nog wel zes maal doen, joech-hei! Dat was het meisje van de zangvereniging, het allerliefst sopraantje met wie ik wandelde in het laantje. Waar de blanke top der duinen. Wie Neerlands bloed door d'aderen vloeit. Iedereen weet nog wel een paar regels. De rest is door de motten van de vergetelheid uit de overlevering weggevreten. Zelfs het Wilhelmus komt er niet ongeschonden van af. Het zal uiteindelijk een gevolg zijn van het ons gebrek aan nationalisme, historisch besef en aantasting van het traditionele onderwijs.

De Enkhuizer Almanak, opperde iemand. Nergens was zo'n naslagwerk te vinden.

Bel het Meertens Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde!

Dat was natuurlijk de oplossing. Ik kreeg een mevrouw aan de telefoon, maakte me bekend als iemand die stukjes in de krant schrijft. Ze schakelde me over naar een andere mevrouw die zwijgend naar mijn ingewikkelde vraag luisterde. “Nee”, zei ze met een ondertoon van wantrouwen. “Daar kunnen we u niet aan helpen.” Het was te horen dat aandringen niet zou helpen. “Dat gaat te ver mevrouw?” “Ja. Dat gaat te ver.” Ze verwees me naar de openbare bibliotheken. Omdat ik daar na al deze ervaringen helemaal geen heil meer in zag, begon ik met mijn stukje.

De aanleiding daartoe is een heel andere. Het was me opgevallen dat in bepaalde maanden het gesprek draait om één bepaald persoon. In februari was het Wim Kok. Waar je kwam, overal hoorde je de mensen tegen elkaar zeggen: Wim Kok. Ja, Wim Kok. In april werd het Bolkestein. Het is een naam die goed in de gedachtenwisseling ligt, de B wat ploffend uitgesproken als voorspel tot de doffe O, en dat weer gedempt, op een toon alsof je er zelf alles van weet maar die kennis met niet veel mensen wilt delen. Zo kun je al twee maanden van dit jaar naar politici noemen.

Augustus is in dit opzicht laat gekomen. Pas een week of twee geleden is het duidelijk geworden dat dit Diekstramaand zou worden. Ik ga niet meer verklaren hoe dat komt. Op gangen, in zalen, bij de koffieautomaten en in de praatprogramma's klinkt de naam, maar daar gaat het me niet om. De vraag is hoe je zo'n geval behandelt. Nog niet zo lang geleden was in Staphorst overspel verboden. Werd het ontdekt dan werd het natuurlijk om te beginnen niet netjes gevonden, maar daarmee was de kous niet af. De braafsten onder de pummels reden de mestkar naar buiten, de zondares moest erin gaan zitten voor de rijtoer en dan was het feest in het dorp.

Ik blijf het verbazingwekkend vinden, het overschrijven van andermens' teksten. Het is een soort van vrijwillige doe-het-zelf hersentransplantatie. Dat heb ik lang geleden al eens geschreven (ik vermeld het maar omdat de wetenschap ook zelf-plagiaat onderscheidt) maar mij dunkt dat een oorspronkelijk schrijver altijd weerstand zal moeten overwinnen bij het citeren van een wat langere tekst die door een ander is geschreven. Dat is een Fremdkörper in zijn eigen brein. Er wordt een onwillekeurig afstootmechanisme in werking gesteld.

Het komt meer voor dan we denken. Er bestaan zelfs, hoor ik uit betrouwbare bron, formulieren die de geplagieerde aan de plagiator stuurt, waarbij eerstgenoemde, nog zonder inmenging van 'de publiciteit' het bedrag invult waarop hij zijn schade heeft begroot. Compensatie wegens hergebruik is een uitdrukking die dan weer volkomen in overeenstemming is met onze neiging om de zonde met een eufemisme toe te dekken. Men spreekt dan van 'een begaafd hergebruiker'.

In al die gevallen moet ik weer denken aan een stukje van Menno ter Braak, zijn commentaar op het tumult dat ontstond toen de historicus Pieter Geyl ontdekt had dat zijn collega H.T. Colenbrander, schrijvend aan een portret van Willem de Zwijger, sommige bronnen wat al te vrijmoedig had hergebruikt.Verwijzend naar zijn eigen proefschrift, schreef Ter Braak dat het meeste wetenschappelijk werk van diplomatieke diefstal aan elkaar hangt, en, besloot hij, laten we wel wezen: “Balthazar Gerardts heeft de prins veel meer kwaad gedaan.” Niettemin, wie iets overschrijft kent de risico's. De mestkar staat te wachten.