Kleine vreemdelingen

Woelend in bed. Volgende week sta je er weer. Zitten ze je aan te kijken. Les geven, hoe doe je dat? Wat heb je ze te vertellen? En waarom? Is dit een bezigheid, een beroep of alleen maar geld verdienen? En dan, wat zou de jeugd van tegenwoordig nog willen leren? Ze weten al zoveel.

Oververzadigd gevuld zijn de geesten in de jonge lijven door Olympische Spelen, MTV, TMF, computerspellen, actiefilms, houseparties, kermis, camping, Krajicek en andere onzin. Laten we luisteren naar de oude ZEN-meesters. De monnik schenkt zijn leerling een kop thee en schenkt door en door. “Kijk nou eens wat je doet”, roept de leerling. “Je morst. Er kan toch geen thee meer bij, de kop is vol.” “Jij bent als deze kop, tot de rand gevuld met gedachten. Er kan niets meer bij. Ik kan jou niets leren.”

Als grote mensen in grote-mensen-kranten zich druk maken over het enthousiasme van een Oranjeprins, of over het gras in een nieuw stadion, wat voor relevantie heeft een schoolklas dan, een negentiende eeuwse schoolklas, voor kinderen die zijn opgevoed door deze grote mensen? (De hele hype rond Amsterdam ArenA - zo moet je het schrijven hoor ik van ingewijden - bedreigt een zich met moeite als normaal handhavend mens met dreinende depressiviteit.)

Aan de universiteit van Utrecht wordt de jeugd van tegenwoordig onderzocht. Ik pik enkele krenten uit een artikel van Tom ter Borgt, een van de onderzoekers:Ze blijven vijf jaar langer op school dan veertig jaar geleden. Daarom hebben wij werk. En ze hebben vijf jaar eerder seks.

Ter Borgt onderscheidt enkele algemene trends. Over relaties: “Langere periode van experimenteren, leeftijd van trouwen relatief stabiel op zeventwintigste levensjaar.” Over vrije tijd: “Meer vrije tijd tot aan 1985, daarna daling. Jongeren druk door combinatie van school, bijbaantjes en intensief vrije tijdsleven.” Over seks: “Seriële monogamie, weinig promiscuïteit.” Wat moet ik ermee. Straks sta ik tegenover kleine vreemdelingen die ik tot mijn eigen kinderen moet maken.

Eind van vorig schooljaar. Ik bespied vanuit school een aantal jongeren buiten. (Kinderen heten tegenwoordig jongeren, omdat ze niet meer kinderlijk zijn.) Twee meisjes, die alleen maar staan en kijken, fiets tussen de benen. Een stuk of vijf jongens. Allemaal ravenzwart, ik onderscheid Joegoslavië, Marokko en Turkije. Ik hoor niets maar zie de lichaamstaal: praal- en imponeergedrag. Niet leuk. Toen, in 1950, was het zoveel anders. Zo deed je niet, toen.

Ter Borgt heeft het over de omgekeerde generatiekloof: het oordeel van volwassenen over jongeren is negatiever dan omgekeerd. Het probleem is dus niet de jeugd maar de leraar van tegenwoordig. Ter Borgt beschrijft de docent zoals de jeugd van tegenwoordig zich wenst: - kan goed uitleggen en is geduldig - heeft aandacht voor de persoon van de leerling - bewaakt de orde zonder autoritair te zijn - laat de leerlingen zelfstandig werken, zodat ze kunnen overleggen en zich kunnen bewegen.

Eind van vorig schooljaar. Onder het laatste proefwerk schrijft Wietske: “Zoals je ziet snap ik er geen bal van. Ik hoop dat je er nog iets aan kunt doen.” Ik heb Wietske dit jaar ook in de klas. Volgende week sta ik er weer, gelukkig.