Japan snapt niets van ophef over walvisvaart

In het debat over walvisvangst is Japan steevast een van de bad guys. De Japanners zelf begrijpen daar niets van. Volgens hen richten ze met hun eeuwenoude, lokale kustwalvisvaart geen schade aan en zijn ze slachtoffer van een hetze van de vleesetende massa.

TAIJI, 31 AUG. Mismoedig staart de 69-jarige walvisvaarder Iwao Isone naar de foto's van zijn vijftien meter lange schip aan de wand van zijn woonkamer. “Ik droom er 's nachts van weer zelf een dwergvinvis te mogen vangen”, zegt hij. Dwergvinvissen, met hun lengte van zo'n tien meter de kleinsten der baleinwalvissen, zwemmen in groten getale door de oceanen, dat spreekt ook de tegen walvisvaart gekante organisatie Greenpeace niet tegen. Toch valt het dier onder het vangstmoratorium van de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) en kan Isone er slechts van dromen.

Isone woont in het dorp Taiji, een van de traditionele 'walvisvarende dorpen' in Japan. Het ligt in een baai op de zuidpunt van het bergachtige Kii-schiereiland, zo'n 500 kilometer ten zuidwesten van Tokio. Tot eind vorige eeuw leefde het hele dorp van de vangst van walvissen die elk jaar met de warme golfstroom uit het zuiden langs de kust kwamen. Langzaam maar zeker verdwenen echter de grote walvissoorten rond Zuidwest-Japan. De oorzaak hiervan is niet helemaal duidelijk, maar Japanners die betrokken zijn bij de walvisvaart laten nooit na te wijzen op de verschijning van Amerikaanse walvisvaarders voor de Japanse kust. Diezelfde Verenigde Staten leiden nu de felle anti-walvisvaartcoalitie tegen Japan.

Isone vangt nu slechts andere walvissoorten: Zwarte dolfijn en griend. Deze vallen niet onder het moratorium van de IWC. Maar de kok van eethuis Hirokichi, niet meer dan een bar en drie tafeltjes, heeft toch dwergvinvis in huis: Rood vlees, vergelijkbaar met rauwe biefstuk, tong en huid staan op het menu. Huid wil zeggen een rand spek want de huid zelf is flinterdun. De rauwe spek is fijner en zachter dan het taaie varkensspek dat in Nederland wordt gegeten.

“Elk jaar raken in de omgeving van Taiji per ongeluk dwergvinvissen verstrikt in de netten die vissers voor de kust hebben uitgezet voor kleinere vissoorten”, legt Iwao Isone later uit. “Als die beesten nog leven moeten de vissers ze laten gaan en zijn ze gelijk hun eigenlijke vangst kwijt. Zo'n drie à vier beesten per jaar zijn al dood als de vissers ze vinden en dan mogen ze ze aan land brengen.” In Taiji is behalve de boot van Isone nog slechts een andere boot voor de kust actief.

Japanners eten al walvisvlees zolang ze zich heugen. Niet als delicatesse, maar als basisvoedsel. Een traditie van veehouderij bestaat niet in Japan. Elk jaar verzoekt Japan de IWC om de Japanse kustwalvisvaarders - in het hele land zijn er nog negen boten over - toe te staan vijftig dwergvinvissen in de eigen wateren te vangen. De internationale gemeenschap tolereert het echter niet omdat dit “een begin zou zijn van de hervatting van commerciële walvisvaart”, zoals de Nederlandse afgevaardigde bij de IWC in 1993 stelde. “Onbegrijpelijke logica”, noemt Iwao Isone dit. “Ik neem m'n lunchpakket, stap op de boot, vang een walvis en ben 's avonds weer thuis”, zo beschrijft hij zijn werk. “Ik snap niet waarom dat internationale problemen moet geven.”

De meeste IWC-leden erkennen alleen een onderscheid tussen de primitieve walvisvaart en de commerciële walvisvaart zoals zij die zelf tot voor kort praktiseerden, en niet de tussenvorm van de eeuwenoude, lokale Japanse kustwalvisvaart. Het industriële gebruik van de walvis door de westerse industrielanden komt mooi naar voren onder het lemma walvisvaart in de Encyclopedia Brittannica: “De meeste landen gebruikten walvisvlees hooguit als hondenvoer, behalve Japan.” Als nuttige produkten van het dier noteert de encyclopedie bijvoorbeeld was en olie - “tot voor kort kwam de fijnste smeerolie van de kaakbotten van kleine walvissen” - en balein voor corsetten.

Japan heeft een internationale groep antropologen, ook uit anti-walvisvaartlanden als de VS en Australië, de traditionele walvisvaartdorpen in Japan laten onderzoeken. De groep kwam tot de conclusie dat de Japanse kustwalvisvaart overeenkomsten heeft met wat de IWC als aboriginal subsistence whaling erkent bij bewoners van Alaska, Canada en Groenland. Het is Japan een doorn in het oog dat een fel anti-walvisvaart land als de Verenigde Staten deze aboriginal walvisvangst wel actief steunt. Dankzij de VS mogen Eskimo's in Alaska de Groenlandse walvis vangen, die in tegenstelling tot de dwergvinvis sterk in aantal is afgenomen. Dit voorjaar stonden de VS bovendien op het punt de IWC om toestemming te vragen voor de Makah-indianen in de staat Washington om de Grijze walvis te vangen. Op het laatste moment zagen de VS af van het verzoek.

Japan is na het ingaan van het moratorium overgegaan op de vangst voor wetenschappelijk onderzoek van dwergvinvissen bij de Zuidpool, in overeenstemming met de regels van de IWC. Toch verzoekt de IWC Japan elk jaar ook deze vangst te 'heroverwegen'. In een folder onder de titel 'De argumenten tegen walvisvaart' publiceert Greenpeace Europa bloederige foto's met de tekst: “De schepen doden ze in de naam van 'wetenschappelijk' onderzoek tijdens het moratorium op commerciële walvisvaart.” Junko Sakurai van de Japanse afdeling van Greenpeace zegt in Tokio dat de organisatie zich heeft “verstrikt” in de walvisproblematiek. De Japanse afdeling houdt zich liever bezig met kernenergie en chemische vervuiling.

In het internationale debat is duidelijk wie de bad guys zijn. “Als Japanners en Noren exotisch voedsel willen eten, zoals walvisvlees, dan moeten ze elkaar maar opeten”, zo zei de Britse parlementariër Tony Banks in 1992 bij de jaarlijkse IWC-conferentie. Een Finse medicus schreef vorig jaar aan het Japanse Instituut voor Walvisonderzoek: “Stop met het doden van walvissen, jullie moordenaars. Jullie verdienen weer een paar atoombommen.”

Deze felle lobby wordt in Japan niet begrepen. Yoji Kita (55) is directeur van het Walvismuseum in Taiji. Zijn grootvader was de laatste in de familie die zijn brood verdiende in de lokale walvisvangst, het vak dat generaties lang van vader op zoon was overgegaan. “Er gaan in de westerse landen stemmen het doden van walvissen überhaupt onethisch te verklaren. Maar wat is dat in hemelsnaam voor houding als die landen zelf twintig jaar terug nog walvissen vingen”, zegt Kita. “Zijn walvissen nu opeens gelijk aan de mens? Van iedereen in Taiji waren de voorouders werkzaam in de walvisvangst en ik draag de trots van die traditie mee. Niemand, in binnen- of buitenland, heeft het recht die leefwijze nu opeens te veroordelen.” Mensen die schreeuwen 'Redt de walvis' weten volgens Kita niet waar ze over praten. “Er zijn 78 soorten walvissen en van slechts enkele soorten walvissen zijn de aantallen schrikbarend gedaald. De discussie in de IWC gaat helemaal niet meer over het verantwoord gebruik van natuurlijke voorraden.”

Dit laatste bevestigen sommige tegenstanders van de walvisvaart zelf ook. In 1993 zei de Nieuw-Zeelandse afgevaardigde tijdens de discussie in de IWC over een procedure die een strikt gecontroleerde vangst van bepaalde onbedreigde walvissoorten mogelijk zou moeten maken: “Dit mag acceptabel zijn voor de wetenschappelijke commissie, het is in mijn land politiek niet acceptabel.”

De Britse voorzitter van de wetenschappelijke commissie kwalificeerde dit soort gedrag als “minachting voor de wetenschap” en gaf zijn post op. De vertegenwoordiger van IJsland, ook een traditioneel walvisvarend land, sprak in 1993 van “Kafkaeske regeringen werkzaam in de IWC” en kondigde het vertrek van IJsland uit de IWC aan. De reden: de organisatie wenst slechts extreme milieugroeperingen te behagen.

In 1979 zei 77 procent van de Amerikaanse bevolking nog walvisvangst te kunnen accepteren zolang de soort niet bedreigd was. Maar in 1988 constateert de Amerikaanse bioloog William Aron in een artikel: “Het is duidelijk dat, door verleidelijke advertentiecampagnes en redactionele commentaren die eerder gepassioneerd zijn dan informatief, het publiek gelooft dat vrijwel alle walvissen bedreigd zijn met onmiddellijk uitsterven.” Aron was ooit vertegenwoordiger van de VS bij de IWC en tot vorig jaar directeur van het Northwest and Alaska Fisheries Center, een overheidsinstituut.

Shigeko Misaki van het Instituut voor Walvisonderzoek in Tokio bezoekt sinds jaren de IWC-conferenties, waarbij ze is bespuugd, uitgescholden en met rode inkt besproeid door demonstranten. “Irritant”, noemt ze dat, maar soms moet ze hartelijk lachen om het protest. Bijvoorbeeld om de brief van een Amerikaanse dierenarts die schrijft: “In tegenstelling tot de barbaarse Japanners zijn wij Amerikanen een beschaafd volk.”

Misaki duidt het anti-walvisvaartstandpunt als volgt: “Walvisolie speelde een cruciale rol in de westerse ontwikkeling. De vangst heeft een enorme achteruitgang in verschillende walvispopulaties veroorzaakt en daardoor is 'de walvis' symbool geworden van een schuldgevoel. Het geloof in een 'walviscrisis' stamt wellicht uit een behoefte aan vergeving. Daarnaast is er een zeer praktische reden: Walvisolie, en dus de walvisvaart, is tegenwoordig niet meer nodig voor de westerse industrielanden.”

Museumdirecteur Yoji Kita in Taiji laat een overzicht zien van de FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN, van vis- en vleesconsumptie. De landen die hoofdzakelijk vis eten zijn Japan en IJsland, twee van de notoire 'misdadigers' in de walvisdiscussie. De grootste vleesconsumenten zijn de VS, Canada, Australië, Argentinië en Nieuw Zeeland en in mindere mate de West- en Centraaleuropese landen, ofwel de tegenstanders van walvisvangst. De Scandinavische landen nemen een tussenpositie in en zijn binnen Europa de grootste viseters. Van deze landen behoort Noorwegen tot de voorstanders van walvisvaart en neemt Denemarken een gematigde positie in. De scheidslijn in eetgewoonten komt exact overeen het standpunt inzake walvisvangst.