Het landschap in de provincie: Gelderland; Hier krijgt een beek de ruimte

Hoeveel geduld vereist natuur in Gelderland? Koos van Zomeren wandelt maandelijks door het Nederlandse landschap, met de seizoenen en de provinciegrenzen als leidraad. “Wat betekent drie jaar nou voor de natuur? Zij verricht haar wonderen in een geheel eigen tempo.”

Opmerkelijk: de weg naar de zandverstuiving heet Badweg. Wil dat zeggen dat hier ooit mensen hebben gefietst met badpak en handdoek op een rolletje onder de snelbinders? Jawel, dat wil het zeggen. In het zand was een laagte uitgestoven tot op het veen, het grondwater. Er kon worden gezwommen, of in ieder geval gepoedeld. Dat wil tevens zeggen dat de deklaag niet bepaald dik is, en dàt verklaart dan weer hoe het mogelijk is dat hier, tussen al dat armetierige naaldhout, enkele vorstelijke eiken oprijzen - die wortelen diep genoeg om de ondergrond te bereiken.

Inmiddels is het bad weg, maar de mensen blijven komen. Ook op een bewolkte dag zie je ze wandelen, vliegeren en picknicken. Kan geen kwaad. Een beetje betreding zal het zand helpen stuiven. Maar na zonsondergang zou het wel wat rustiger mogen. Waar kampvuurtjes worden gestookt en droppings worden gehouden, hoef je natuurlijk geen nachtzwaluwen te verwachten.

De verstuiving vormt een strook van bijna een kilometer lengte, een ideale landingsbaan voor westenwinden. Aan de lijzijde ligt zij in de subtiele greep van buntgras en korstmossen. In het midden geeft ze zich volledig bloot aan de elementen. En aan de overkant, in de afsluitende bosrand, is ze opgestuwd tot een fikse wal. Net als waddeneilanden proberen zandverstuivingen naar het oosten te wandelen.

Ik had me voorgenomen hier de avond door te brengen, om de zon in het zand te zien zinken. Maar na aankomst zie ik daar vrijwel onmiddellijk van af. Niet zozeer vanwege de dreun van auto's op de A28, en eigenlijk ook niet vanwege het schallen van geluidsinstallaties op naburige campings. Nee, het is het zand zelf. Ik kan er niet tegen. Het verstopt mijn poriën. Zelfs als het gemiezerd heeft, zodat aan de oppervlakte een taaiheid is ontstaan die stuiven voorlopig erg onwaarschijnlijk maakt, kan ik er niet tegen. Alleen al de áánblik van zand veroorzaakt benauwdheid, problemen met slikken. Wist ik natuurlijk allang. Had ik alleen even niet aan gedacht. In alle andere opzichten is zo'n zandverstuiving ook altijd volstrekt in orde. Vlakverdeling en koloriet onovertroffen. Die ene vliegden op een heuveltje, die vingerwijzing van... ja, van wie eigenlijk, van wat?

Naar het oosten, dat kunnen wij toch sneller dan een zandverstuiving. Aan de Eperweg tussen 't Harde en Elburg ligt een boerderij die Vloedeinde heet. Tot hier moet het ooit zijn overstroomd - toen de Zuiderzee er nog was, toen Gelderland nog een kuststreek had.

Aan het embleem op de luiken zie je meteen tot welke heerlijkheid dit goed tegenwoordig behoort: een gele ruit met Gelderse roos, wapen van Het Geldersch Landschap. Mèt de vele tientallen terreinen die deze stichting in de loop der jaren verwierf, heeft zij ook buitengewoon veel bouwwerken in bezit gekregen. Dat varieert van duiventillen en ijskelders tot complete kastelen, en dat vergt allemaal onderhoud. Als je in Arnhem vraagt waarin ze verschillen van andere provinciale landschappen, zeggen ze: we zijn in ieder geval groter dan gemiddeld, èn we hebben een eigen bouwkundige in dienst.

Vloedeinde werd in 1853 gebouwd, kennelijk met een vuiltje in het timmermansoog. De achtergevel is 21 centimeter smaller dan de voorgevel. Wat niet wegneemt dat het in zijn tijd een fors bedrijf moet zijn geweest. Klassieke Veluwse boerderij onder een rieten kap. Ruime overkraging aan weerszijden en een typische glooiing ('ezelsrug' of 'dromedaris') bij de overgang van woonhuis naar stal.

Onlangs is dit bouwwerk grondig gerestaureerd. Kosten: een kwart miljoen. Voor dat bedrag werd aan boktor en houtworm een vernietigende slag toegebracht. Voor dat bedrag werd de boerderij van binnen volledig verspijkerd. Vee komt er niet meer in, er hoeft alleen nog maar te worden gewoond.

Maar aan de buitenkant is alles bij het oude gebleven. Dus halvemaans-stalramen afgewisseld met mestluiken. En een keukendeur van 1,70 meter. Bij de voorgevel wijst Frans Ganzevles, de bedoelde bouwkundige, op knipwerk en vlechtwerk, en een mooie rollaag onder de ramen. De voeg is naar zijn zin alleen wat te wit uitgevallen.

Ook de tuin is vernieuwd om oude luister te herstellen. Moestuin, bloementuin en een paar fruitbomen, afgebakend met een beukenheg. Dat is het werk van de nieuwe bewoners. Die worden door Het Geldersch Landschap met zorg geselecteerd. Mensen met hart voor traditie en natuur. Een auto vóór de deur, gazon met een ligusterhaag eromheen, vijvertje met een kabouter erbij, dat kàn gewoon niet, dat zou alles verpesten.

Vloedeinde ligt op het landgoed Zwaluwenburg. Honderd hectare cultuurland, zegt Lodewijk Rondeboom (districtsbeheerder Noordoost-Veluwe), en vroeger zaten daar zes boeren op. Bos, Keijl, Pleiter, Berghorst en de Westerinks (twee maal). Nu is Keijl de enige die nog koeien houdt, ongeveer vijftien stuks melkvee en een koppel zoogkoeien. Wat bedoelt hij met vroeger? Tien jaar geleden boerden ze allemaal nog. En nu door jullie toedoen allemaal verdwenen? Niet door ons, zegt Rondeboom, maar door de ontwikkelingen in hun eigen bedrijfstak. De vrijkomende grond is deels verpacht aan een man die zijn gebouwen en erf buiten het landgoed heeft. Hij voert zijn bedrijf onder ecologisch keurmerk en verbouwt zelf de voedergranen voor zijn vee.

Op de oude enk is bovendien grond in gebruik gegeven aan De Kruismaten, een bedrijf dat geneeskrachtige kruiden kweekt. Daar liggen alternatieve bollenvelden. Bij onze passage: stroken met goudsbloem, tijm, guldenroede, rode zonnehoed en mariadistel.

Op zo'n manier haal je qua pachtprijs niet het onderste uit de kan, maar geef je wel extra inhoud aan je doelstellingen.

Nu gaan we een kilometer of tien richting Epe en dan zien we elkaar terug op de Tongerense heide, al aardig aan het nazomeren, behoorlijk paars. Golvend terrein (tot 32 meter boven NAP) met uitzicht op vennetjes en alleenstaande dennen. Hoeveel adders, informeer ik terloops. Zestig tot tachtig, antwoordt Rondeboom en dat volstaat, je hoeft mij niet te vertellen dat adders, met de nodige voorzichtigheid natuurlijk, tot de positieve kwaliteiten van een natuurgebied gerekend moeten worden.

Het onderhoud van deze heide wordt tegen een redelijke vergoeding gedaan door een freelance schaapsherder. Want ze mogen bij Het Geldersch Landschap dan een eigen bouwkundige hebben, eigen vee hebben ze niet. Eigen schapen, koeien en paarden jagen je maar op kosten, zeggen ze hier.

Ondertussen zijn we een perceel met typisch houtboerenbos opgelopen. Grove den en douglas, veertig jaar oud. Gaan we kappen, kondigt Rondeboom aan. Zal bij een papier- of kistenfabriek een mooie prijs opleveren. Voor het laatst. Nieuwe aanplant is de bedoeling niet, sowieso al niet omdat we bossen met een hoger natuurgehalte willen, en op deze plek in het bijzonder niet omdat we een visuele verbinding tot stand willen brengen tussen de Tongerense heide en het Wisselse veen.

Dit veen werd pas laat, tot in de vijftiger jaren, ontgonnen tot weiland. Drie jaar geleden heeft Het Gelderlandsch Landschap werkzaamheden laten uitvoeren om dat weer ongedaan te maken. De ontginning van het Wisselse veen. Sloten werden dichtgeschoven en de zwaar bemeste graszode werd opgerold en afgevoerd. Terug naar de natuur.

Het Wisselse veen loopt af tot onder de twintig meter boven NAP. Hier zit je aan de rand van het Veluws plateau, hier gebeuren fantastische dingen met water. Hier (zuiver kwelwater) zou bijvoorbeeld een toekomst kunnen liggen voor de heikikkers die hogerop (verzuurd regenwater) geen kans meer zien zich voort te planten. Hier moet in ieder geval een prachtige vegetatie kunnen ontstaan - want zo stond het Wisselse veen in het begin van onze eeuw bekend: als een van de schatkamers van onze flora.

Maar zichtbaar is dat nog niet. Voorlopig ligt er een soort monocultuur van pitrus en pitrus, Rondeboom zal de eerste zijn omdat toe te geven, is niet iets om de pers bij te halen. Er is wel geopperd om leuker spul eigenhandig in het gebied te introduceren - je hoeft als natuurbeschermer tenslotte soms je kleren maar af te kloppen om allerlei aardige zaadjes te verspreiden. Maar ze hebben besloten geduld te hebben. Drie jaar ook pas. Wat betekent drie jaar nou voor de natuur? Zij verricht haar wonderen in een geheel eigen tempo.

Aan het Wisselse veen ontspringt de Verloren beek. Om het uitstromen te vertragen is in de bedding een drempel van keien gelegd. Daar zie je het niet alleen, daar hóór je het ook: stromend water!

Mede dankzij maatregelen van het waterschap biedt deze beek een bestaan aan elrits, bermpje en beekprik. Het liefst zou je haar loop door de hele IJsselvallei willen volgen, tot aan de IJssel zelf. Maar dat, zegt Rondeboom, is een utopie. Die afstand is te groot, daar liggen enorme belangen in de weg, het Apeldoorns kanaal en de Grift, om maar eens iets te noemen, en een heleboel boerenland, dat nog lang niet marginaal kan worden genoemd.

Wat dat betreft (ik bedoel: wat de keuze van haar bedding betreft) heeft de Hierdense beek het beter geschoten. Zij ontspringt aan het Uddelermeer en neemt een min of meer natuurlijke loop in noordelijke richting, inclusief de uitmonding in het Veluwemeer.

Sprankelend slingert deze beek door het landgoed Staverden, een van de pronkstukken van Het Geldersch Landschap. Hans Tjoonk, die hier het beheer voert, herinnert zich andere tijden. Half jaren zeventig, de beek stonk, het water was één smerige drab, de bovenstrooms gevestigde kalvermesters loosden hun reststoffen openlijk in het vrije veld.

Sinds 1980 ongeveer is bij Elspeet een kalvergiervoorzuiveringsinstallatie in bedrijf en recent is daaraan een defosfateertrap toegevoegd. In het kader van een ammoniakreductieplan wordt op het ogenblik de aanleg van leidingen gestimuleerd, die de gier rechtstreeks van stal naar fabriek moeten transporteren.

Ondertussen zijn de optische en fysieke kwaliteiten van de Hierdense beek drastisch verbeterd. De zoetwaterfauna heeft zich behoorlijk hersteld, mede tot genoegen van het ijsvogeltje - alleen op Staverden al zes broedparen.

Van de vorige zomer tot het afgelopen voorjaar heeft het waterschap in het stroomgebied van de beek werkzaamheden laten uitvoeren, waarbij de natuur er niet slecht is uitgesprongen. Zo werden voor momenten van hoogwater nieuwe retentiebekkens aangelegd door aangrenzende weilanden, voorheen in agrarisch gebruik, tot vlak op de waterspiegel af te graven.

Landschappelijk ziet dat er meteen al een stuk spannender uit: hier krijgt een beek de ruimte, hier stroomt een beek met uiterwaarden. En voor kikkers en padden, ringslangen en salamanders ligt er meteen al een geschikt voortplantingsbiotoop. Maar botanisch levert het nog te weinig op. Het water is nog steeds te rijk aan mineralen. Bij elke overstroming wordt in feite een laag mest op de oevers gedeponeerd. Dan kun je maaien en afvoeren wat je wilt, het blijft een en al brandnetel.

Tjoonk: “We gaan langzaam vooruit.” Met de nadruk nu eens op vooruit, dan weer op langzaam.

Deze Hans Tjoonk leek me trouwens een verhaal apart. Ja, hoe krijg je die indruk? In het voorbijgaan eigenlijk, op momenten die een beetje buiten de hoofdlijn vallen.

Zo was er een beknopte toelichting op de hoogstamboomgaard die hij dicht bij zijn huis aan de Uddelermeerweg had geplant. Allemaal verschillende appels en peren, rassen die alleen al om hun naam voor uitsterven behoed zouden moeten worden. Dirkjespeer en winterjan bijvoorbeeld, en Groninger kroon, Lunterse pippeling en zijden hemdje.

Zo was er ook een korte bezichtiging van een Oostenrijks jachtrijtuigje dat hij in de schuur had staan. Door Tjoonk persoonlijk gerestaureerd, zoals hij dat wel meer met rijtuigen deed. En daarom had hij in de wei een Haflinger lopen, evenzeer Oostenrijks, want nergens in Europa was het gevoel voor rijtuigen, voor hout eigenlijk, intenser dan in Oostenrijk.

En het grootste wiel dat hij ooit gemaakt had was zonder twijfel het schoepenrad van de watermolen bij het kasteel: 1,70 meter hoog. Inlands eiken, speciaal uitgezocht op een gekromde nerf die harmonieert met de boog van het rad. En konijnenkontjes aan de balken. Met eigen handen en naar eigen inzicht vervaardigd, want die watermolen was al ruim zeventig jaar buiten bedrijf en er waren geen bruikbare foto's van. Bovendien scheen hij slag te hebben van de omgang met bepaalde mensen. “Morgen”, zei hij, “krijg ik hier een groepje oud-officieren en die laat ik dan op gedisciplineerde wijze de opslag van jonge boompjes uit de hei rukken!” “Léger-officieren?” vroeg ik. “Hoofdofficieren zelfs”, bevestigde hij. “Vrijwilligerswerk. Komen ze iedere donderdag voor. Heb trouwens zelf bij de marechaussee gezeten.”

Bij deze dialoog moet je je ons aan de rand van Het Verbrande Bos voorstellen.

Het Verbrande Bos, zuidkant van het landgoed. Oorspronkelijk naaldbos met een netwerk van afwateringsslootjes. Bij de fameuze storm van '73 ging alles tegen de vlakte, en meteen daarna werden de percelen weer op de oorspronkelijke manier bebost met grove den en fijnspar. Tot, bijna twintig jaar later, nieuwe inzichten doorbraken. Bomen gerooid, humuslaag eraf, slootjes dicht. Bedoeling: natte heide, net zoals we dat zoëven bij het Wisselse veen hebben gehad.

Nu kwetteren de boerenzwaluwen boven de vennetjes die zijn ontstaan. Nu slaan bij onze nadering twee witgatjes op de vlucht. En, sneller dan in het Wisselse veen, zijn hier ook al een paar botanische mijlpalen gepasseerd. Vorig jaar de eerste vestiging van beenbreek, dit jaar de eerste vestiging van gevlekte orchis.

Dat is dan te danken aan de onmiddellijke nabijheid van de Leemputten van Staverden, een terreintje dat (als ik het goed genoteerd heb) eigendom is van de gemeente Ermelo.

Daar mag eigenlijk niemand komen en daar zou eigenlijk iedereen zich aan moeten houden, want het is een bijzonder kwetsbaar terreintje. Maar als je er kwam, zou je kunnen zien wat een combinatie van kwelwater en leem nog steeds teweeg kan brengen, wat daar naast beenbreek en gevlekte orchis nog meer staat te wachten op een kans om uit te zwerven over de wereld.

Parnassis, moeraswespenorchis en klokjesgentiaan, ja klokjesgentiaan, zelden zal een bloem treffender zijn gekarakteriseerd, want je hebt gentianen en je hebt klokjes en dit ziet eruit als het volmaakte samengaan. En daar vliegt ook, gevangen in haar tere vlinderbestaan, het gentiaanblauwtje. En een distelvlinder. En een kleine vuurvlinder. Het wolkendek is opengeschoven, de aarde overgoten met warmte.

De ene avond ben ik met Koos Dansen meegegaan naar een kerk in Nunspeet. Hij is voorlichter van Het Geldersch Landschap en geeft lezingen, in dit geval op uitnodiging van de evangelisatiecommissie van de gereformeerde gemeente. De bijeenkomst was bedoeld voor in en rond het dorp verzamelde vakantiegangers en daarvan waren er maar een stuk of tien komen opdagen. Dat het toch zo druk was, was dus vooral een verdienste van de eigen parochie. Bescheiden mensen, nauwelijks geneigd tot het stellen van vragen, laat staan tot het voeren van discussie. Maar je moest natuurlijk wel op je woorden passen.

Dansen, bij een dia met bos: “De varens die u hier ziet worden niet tot de hogere planten gerekend. Varens zijn heel oud uit de evolutie. Voor zover u in evolutie gelooft!” In de pauze orgelspel en samenzang. De andere avond ben ik op m'n eentje ergens in het bos gaan zitten om dat te doen wat op de Veluwe het meest voor de hand ligt te doen: wachten op wild. Verderop was langs het pad een veldje ingezaaid met winterrogge. Voor het eerst zongen er geen vogels meer; in dit zwijgen lag al iets van herfst besloten. Maar in het zwijgen van de edelherten werd nog iets van zomer bewaard. Stilletjes kwamen ze verderop uit het bos, de een na de ander, net of er een herensociëteit aan het leeglopen was. Nou ja, het waren er vier, maar met geweldige takkenbossen op hun kruin, die wonderlijk rezen en daalden bij het grazen.

Everzwijnen waren er ook: grijze ruggen, kwispelende staartjes, hoog ter been - de ballerina's onder onze varkens.

Twee reeën kwamen recht op mij afstevenen, een zwarte rekke met kalf. Ze bleven stokstijf staan en keken me een tijdlang aan, de oren als cactusschijven op hun kop. Vervolgens besloten ze tot een omtrekkende beweging door het bos achter mij langs, geruisloos. (Dat verontrustte me een beetje omdat ik er al die tijd stilzwijgend van uit was gegaan dat in het bos achter mij niets kon gebeuren of ik zou het horen.)

Het werd donker en ik herinnerde me een andere avond, een ander donker bos, jaren geleden, toen er een groen oplichtend oog op mij toe was gekomen, één enkel oog, ongeveer ter hoogte van mijn knie. Mijn hart stond ervan stil en het bleek een vuurvliegje te zijn. Ergens in de buurt van Mook. Nog in Gelderland, of zou het al in Limburg zijn geweest?

    • Koos van Zomeren