Het binnenste buiten

Achteraf denk ik wel eens dat ik toch strenger ben opgevoed dan ik indertijd besefte. Zo mocht ik van huis uit mensen niet op hun uiterlijk beoordelen. Maar die regel vond ik geen opvoeding, die vond ik terecht.

Ik heb me er dan ook heel lang strikt aan gehouden. Zozeer dat ik allerlei uiterlijke kenmerken zelfs niet opmerkte. Luisteren ja, maar niet kijken. Want het geloof komt uit het horen en niet uit het zien, zei Luther (die dat ook weer ergens gehoord moet hebben). Maar van hem heb ik het niet meegekregen.

Dat negeren van uiterlijke kenmerken was bedoeld om rijke mensen niet te bevoordelen boven arme, en misschien ook wel om mooie mensen niet voor te trekken boven lelijke.

Later ben ik daar anders over gaan denken. Hoe beter je registreert hoe iemand eruit ziet, welke indruk zijn kledij en houding maken, hoe beter je je eigen waardering of ergernis in de gaten hebt, des te beter kun je die in de beoordeling of de benadering tussen haakjes zetten.

Maar ik ben ook steeds minder gaan geloven dat uiterlijke kenmerken niets zeggen over het innerlijk. Je trekt het gezicht dat je hebt. In voorkomen, dracht en gang gedraag je jezelf. Er is veel discipline voor nodig om mooi te blijven en veel humor om lelijk te kunnen leven. Een lange lijs van een meid kan zichzelf struis en rijzig maken. En een klein kereltje verandert zichzelf in stevig en compact.

Die afwijzing van alle uiterlijke indrukken had nog een andere reden. De gedachte dat iemands fysiek hem aangeboren is, en beslissend voor zijn karakter, vormt de kern van het racisme. De mensheid was in typen in te delen en die hingen weer samen met de volkskarakters.

Er bestond in die gedachtenwereld een typisch joods voorkomen dat het kenmerk was van een joods volkskarakter: klein en gedrongen van gestalte, een rond hoofd met brede mond en een lange gebogen neus, wat bollende ogen met zware oogleden en donker krullend haar. Dat werd althans in Neder- en Hoogduitse contreien wel beweerd. In het Midden-Oosten bestaat een ander beeld van de joden. In Israel circuleert een grap over een vliegtuig van El Al dat in de jaren zestig een noodlanding moest maken in Kairo. Zodra het toestel aan de grond stond stormde de Egyptische politie de cabine binnen om de joden eruit te halen: “Alle blonde, blauwogige passagiers meteen meekomen!”

Maar kun je zien of iemand joods is of niet?

De vraag alleen al wekt onbehagen. Na de oorlog hadden veel mensen in Nederland zo genoeg van het anti-semitisme dat in het openbaar nog zelden werd gesproken over wie wel en wie niet joods was en ook niet hoe je dat kon zien. Binnenskamers des te meer. Maar kun je het nu zien of niet? Sommige mensen zijn er veel beter in dan anderen. Joden zelf hebben er vaak oog voor en anti-semieten misschien ook. Het is blijkbaar een kwestie van interesse. Er zijn ook mensen die er overheen kijken, die met wat anders bezig zijn. Maar veel mensen doen zich hierin graag wat onnozeler voor dan ze zijn. Ze zouden er liever nooit aan denken, maar het onderscheid is hun nu eenmaal ooit eens ingegoten.

De jongere generaties zijn daar minder mee behept, die zijn weer meer opgescheept met het verschil tussen zwart en blank. De ouderen willen dat juist afdoen door zich 'kleurenblind' te houden.

Het is eigenlijk heel onwaarschijnlijk dat er een enkel joods type bestaat dat zich in tweeduizend jaar van ballingschap zou hebben kunnen handhaven in een niet-joodse omgeving.

Het ligt veel meer voor de hand dat er in Nederland of in Europa een paar dozijn joodse typen zijn. Mensen hebben daar een paar van in hun hoofd, en ze hebben hun modellen ooit ontleend aan het voorkomen van joden die ze kennen in eigen kring of als publiek persoon. Komen ze nu iemand tegen die op een van die voorbeelden lijkt, dan proberen ze de overeenkomstige trekken af te wegen tegen de verschillen en zo per saldo iemand in te delen. De filosoof Wittgenstein noemde zulke in elkaar overvloeiende categorieën 'familiegelijkenissen' en hier gaat die term letterlijk op.

Maar de uiterlijke verschijning is vooral een habitus, een manier van doen, een manier van praten en bewegen, een lichaamshouding en gelaatsuitdrukking, een toon, een tempo en ritmiek. Er is ook een joodse habitus, of beter er is een heel gamma van zulke habitus (meervoud). Mensen hebben die meegekregen en hebben zich die ook aangemeten, of ontdoen zich er weer van. Weer anderen herkennen dat of zien eraan voorbij, vergissen zich, of willen het niet zien.

Er zijn nog andere kenmerken waardoor joden zich soms onderscheiden - en soms niet. Er zijn joodse namen, en namen die joden en niet-joden gemeen hebben. Er is een joodse godsdienst en een joodse politieke overtuiging, het zionisme. De meeste aanhangers vinden dat ze daarvoor uit moeten komen. Weer anderen hangen er maar zo'n beetje bij en houden zich op de vlakte. En er is, uiteraard, een joods verleden. Vooral het oorlogsverleden. Dat was de grootste en gemeenste deler.

Nog een complicatie: mensen hebben het niet vrijelijk voor het kiezen. Soms worden ze op hun herkomst aangesproken. Dan werkt een sociale dwang om op te komen voor de eigen groep die daarmee dus eens te meer tot eigen groep gemaakt wordt.

De verwarring is hier zo ordelijk mogelijk uiteengezet.

Ik kom erop omdat nu 'Kroaten', 'moslims', en 'Serviërs', en ook 'Tutsi's' en 'Hutu's', die allemaal toch duizend jaar dooreen geleefd hebben, worden vervolgd vanwege die familiegelijkenissen. Daarbij wordt dan alle vermenging afgeschaft en elke verwarring weggewerkt, tot alleen nog scherp gescheiden soorten overblijven die elkaar naar het leven staan. Maar in werkelijkheid zijn de verschillen daar even ingewikkeld, onduidelijk en verwarrend als hier.