Gelovig (3)

De eeuwige discussie tussen atheïsten en gelovigen over het bestaan van God is, naar F.A. Muller in W&O van 1 augustus in verband met een artikel in Science & Education opmerkt, verlegd naar de vraag over het mogelijke samengaan van religie en wetenschap. Voor wie vooruitgangsgeloof bezit is dat een verheugende ontwikkeling.

Het onbegrijpelijke voor atheïsten blijft daarbij de aanname van een essentiële verbinding tussen de transcendente en de natuurlijke wereld. Maar voor wie, al gelooft hij in de scheppingsmacht van God, geldt dat niet? De mens heeft er in de hele loop van de geschiedenis zijn diepste denken op losgelaten, maar kan er rationeel geen bevredigende verklaring voor geven. Hele generaties filosofen hebben er zich mee beziggehouden en kwamen tot geen andere bevinding dan dat de ultieme kennis ons op dit punt is onthouden. Toch leveren zij bijdragen tot 'begrip'. Spinoza bijvoorbeeld stelt in zijn Ethica: “Ik meen dat God de immanente oorzaak en niet de uitwendige oorzaak van alle dingen is. Ik zeg: alles is in God, alles leeft en beweegt in God.” In de Tractatus Theologico-Politicus schrijft hij: “Wat de wetten van de cirkel zijn voor alle cirkels, dat is God voor de wereld.” Deze visie vindt uiteraard steun in talrijke stellingen in de bijbel zelf en in de Heidelbergse Catechismus, waarin God niet alleen als de Schepper van de wereld wordt gezien, maar ook als de 'onderhoudende' kracht. Echter, ook het moderne natuurwetenschappelijk onderzoek geeft grond aan die opvatting. Al het bestaande is in zijn gecompliceerdheid en onderdelen immers te herleiden tot energie, van welke aard dan ook. Zou God niet als de vigerende en dirigerende oerbron van alle energie gedacht kunnen worden?